Bibliotheken

Het eerste punt op het programma van vandaag was de jaarlijkse gang naar de Bibliotheca Hertziana om te proberen mijn toegangspas verlengd te krijgen. Zoals ieder jaar had ik voor de zekerheid al mijn papieren ingevuld en wel op orde maar het is me nog nooit zo makkelijk gemaakt! Ik kreeg niet eens de tijd om er voor te gaan zitten en toen ik terugkwam bij de portier vroeg hij zelfs of ik het kantoor wel had kunnen vinden omdat ik zo snel terug was. Met een pas verlengd tot maar liefst volgend jaar, wat een luxe ūüėČ

Vervolgens had ik een paar uur in mijn ‘eigen’ bibliotheek, die van het KNIR. Je krijgt ieder jaar een plaats toegewezen en ik had eigenlijk altijd een plek in een van de achterste rijen in het midden maar dit keer zit ik zowaar links voorin.

Gisteravond had ik mijn bureau al een beetje ingeruimd maar toen kon ik de Van Wittel-literatuur nergens vinden. Deze bleken in verband met ruimtegebrek op een andere plek te staan dan verwacht maar waren gelukkig snel gelokaliseerd door Angelo van de bibliotheek. Hij is een vaste kracht van de bibliotheek en altijd heel behulpzaam. Hoofd van de bibliotheek hier is Janet Mente die niet alleen op alles een antwoord weet maar bovendien een zeer prettige persoonlijkheid is. En dat is dan alleen nog maar de staf van de bibliotheek. Ook de dames van het secretariaat en de mensen van de dagelijkse huishouding hier zijn top. Ik prijs mezelf ieder jaar weer gelukkig hier een tijdje onderzoek te mogen doen!

In de bibliotheek zijn meestal ook een aantal stagiairs aan het werk. Momenteel zijn er twee vrouwen die zich met allerlei bibliografische zaken bezighouden en zelfs zowaar met klusjes voor vastgelopen onderzoekers ūüėČ Een van de dames was namelijk zo aardig mij vandaag te helpen met de voorbereidingen voor een bezoek aan weer een andere bibliotheek hier in Rome, het Archivio di Stato di Roma. Deze bevindt zich in ¬†het complex van de¬†Sant’Ivo alla Sapienza aan de Corso del Rinascimento (direct achter Piazza Navona). Daar wil ik naar toe om de “Libri Mastri” van de familie Odeschalchi te bekijken. Hierin zijn een aantal directe betalingen vermeld aan Van Wittel voor de aankoop van schilderijen door Livio I Odeschalchi. Het gaat om documenten uit het einde van de 17e eeuw en deze worden natuurlijk niet zomaar even uitgeleend. Eerst moet je je aanmelden bij de bibliotheek zelf en vervolgens kun je een verzoek indienen om de stukken in te mogen zien. En aangezien het bij de bibliotheken hier meestal strikt volgens de regels gaat, is het handig deze regels goed te weten voor je daadwerkelijk de bibliotheek bezoekt. Vaak heb je een aanbevelingsbrief nodig (wat in dit geval niet nodig was omdat het om een openbare bibliotheek gaat) en je moet je natuurlijk altijd kunnen identificeren. Vervolgens zijn er vaak bepaalde dagen en tijden waarop je stukken aan kunt vragen die fragiel zijn of een apart formaat hebben. Voor de stukken die ik wil zien geldt dat ook, deze kunnen twee keer ’s ochtends worden aangevraagd voor een bepaald tijdstip en dan krijg je ze vervolgens een half uur later overhandigd ter inzage in een studiezaal. Je mag ze dan bestuderen totdat de bibliotheek sluit om 18.00 uur. Je hebt dus twee tijdstippen in de ochtend voor aanvragen maar geen een in de middag. En dat is dan toch wel weer handig om te weten voor je die kant op gaat!

Voorbereidende werkzaamheden betreffen ook vaak het opstellen van een lijstje met de werken die je wilt zien en de inventarisnummers die daarbij horen. Soms heb je kort de tijd om stukken aan te vragen of is het handig de nummers op orde te hebben zoals bijvoorbeeld in het geval van de Hertziana. Omdat de Hertziana een gigantische collectie heeft, verspreid over vijf etages en een groot oppervlak (het zijn meerdere gebouwen), helpt het om van tevoren te weten waar je ongeveer moet gaan zijn op een bepaalde dag. De verschillende instellingen hebben ook verschillende catalogi waarin je kunt zoeken zodat je weet in welke bibliotheek welke publicaties te vinden zijn.

Laatste bibliotheek op de agenda dit jaar is de Biblioteca dell’Accademia Nazionale dei Lincei e Corsiniana. Hier wil ik al een paar jaar heen maar het is me tot nu toe nog niet gelukt hier binnen te komen en het door mij gewenste manuscript in te zien. Dat is namelijk het manuscript van Cornelis Meyer over het bevaarbaar maken van de Tiber. Er zijn drie versies van het manuscript (en meerdere latere edities en drukken) maar dit is de enige waar van gezegd wordt dat het tekeningen van de hand van Van Wittel bevat. Daar zijn de meningen ietwat over verdeeld maar heb ik zelf nog geen opinie over totdat ik het manuscript zelf heb kunnen bekijken. Hopelijk gaat dat dit jaar gebeuren en weet ik binnenkort meer!

 

Lang geleden…

Er was eens, lang geleden, een begin van dit blog…

Inmiddels zijn we een jaar verder en het wordt nu zo onderhand toch echt wel weer eens tijd om een bericht te schrijven!

In ieder geval kan ik melden dat de definitieve data bekend zijn van de Van Wittel-tentoonstelling in Amersfoort, namelijk van 19 januari t/m 5 mei 2019 in Kunsthal Kade!

caspar-van-wittel-de-ontdekking-van-een-hollands-meester-in-italie

Daarnaast ben ik vandaag aangekomen op het KNIR om weer een aantal weken op (en vanuit) het instituut te werken aan mijn onderzoek. Dat betekent dat ik de komende tijd mijn best ga doen iedereen weer een beetje op de hoogte te houden van interessante en bijzondere dingen die ik zoal tegenkom.

Om deze weken te beginnen een klein beginnetje in het verhaal van Caspar…

Een paar dagen geleden was ik in Amersfoort, o.a. in Park Randenbroek, waar zich het voormalige buitenhuis van Jacob van Campen (1595-1657) bevindt. Van Campen was schilder en architect, voornamelijk bekend dankzij het Paleis op de Dam in Amsterdam. De familie van Jacob was eigenaar van het landgoed en gebruikte het zoals gezegd als buitenplaats. Na de dood van zijn moeder werd Van Campen eigenaar en vanaf 1635 ging hij er min of meer permanent wonen. Van Campen breidde Randenbroek uit met fonteinen, tuinen en een wijngaard. Nu gaat het verhaal dat Van Campen op Randenbroek zijn leerlingen onderwees, waaronder Matthias Withoos. Het is niet zeker dat Van Campen hier een schildersschool had gevestigd, wel weten we dat hij er veel kunstenaars ontving en meerdere hoogwaardigheidsbekleders. Het is ook niet bekend of Van Wittel er ooit geweest is, hij was te jong om Van Campen gekend te hebben. Maar de relatie Van Campen – Withoos – Van Wittel is wel interessant omdat die twee kanten van architectuur en schilderkunst in alle drie terug te vinden zijn.

Fedecommesso

Zoals ik al schreef in mijn laatste blog vanuit Rome, was ik die laatste zaterdag naar Palazzo Colonna om daar hun nieuwste publicatie over de Colonna-familie en Van Wittel te kopen. Ondanks dat het een redelijk dun boekje is, 63 pagina’s en veel afbeeldingen natuurlijk, was het er tot nu toe nog niet van gekomen hier eens echt voor te gaan zitten.

Op de flaptekst aan het begin van het boek valt te lezen dat de 39 schilderijen die in het boekje beschreven staan onderdeel zijn van de “collezione fidecommissa” van de prinsen Colonna. Een begrip dat misschien niet iedereen kent, dus het waard om een klein stukje aan te wijden ūüėČ

Veel bezitters van bijzondere en/of kostbare verzamelingen in de zeventiende eeuw maakten zich zorgen dat hun met zorg samengestelde collectie na hun dood uit elkaar zou vallen. Vooral voor de Romeinse adel en curie was dit een bron van zorg. Door de jaren heen van vader op zoon overgedragen familiebezittingen konden zomaar in een paar generaties enorm verspreid raken of doordat er geen kinderen waren ge√ęrfd worden door een andere tak van de familie. De oplossing hiervoor lag in het gebruik van de fedecommesso,¬†in het Nederlands: fide√Į-commis. Hierbij werd testamentair vastgelegd dat een bepaald deel van een erfenis onvervreemdbaar was en aan een aangewezen persoon moest toevallen. De¬†term fedecommesso is een combinatie van de Latijnse woorden fides (vertrouwen) en committere (te plegen) en betekent zoveel als iets aan iemand toevertrouwen. Dit bestond naast het gebruikelijke primogeniture, of eerstgeboorterecht, waarbij het eerstgeboren mannelijke kind de familiebezittingen erft, hierbij eventuele broers of zussen passerend.

Belangrijke collecties werden middels de fedecommesso intact gehouden en behouden. Voor hooggeplaatste geestelijken als de paus of zijn nepoten was de fedecommesso een manier om grond, geld of andere bezittingen in de familie te houden. Zeker in de periode dat er zeer kritisch werd gekeken naar het nepotisme dat hoogtij vierde in Rome. Het waren dan ook juist die hooggeplaatste geestelijken die als eersten gebruik maakten van de fedecommesso. Oorspronkelijk een regeling uit de tijd van het Romeinse Rijk werd de bepaling nieuw leven ingeblazen door paus Urbanus VIII (Maffeo Barberini, 1568-1644, paus van 1623-1644). In 1662 werd een beschikking van paus Urbanus VIII bekend gemaakt waarin hij teruggreep op de regeling. Zijn voorbeeld werd gevolgd door paus Clemens X (Emilio Altieri, 1590-1676, paus van 1670-1676) in wiens testament uit 1672 de fedecommesso als rechtvaardiging werd gebruikt om het bezit van de paus aan de familie Altieri te vermaken. De eerste kardinaal die gebruik maakte van de fedecommesso was kardinaal Francesco Barberini (1597-1679), niet geheel ontoevallig een neef van Urbanus VIII. In zijn testament (opgesteld op 6 april 1678) bepaalde hij dat zijn kunstcollectie en bibliotheek in hun geheel in handen moest komen telkens van de eerstgeborene van de Barberini-familie. Hiermee werd het recht van de eerstgeborene netjes gehanteerd en werd de collectie toch volledig bij elkaar gehouden. Al snel maakten ook veel¬†adellijke families gebruik van de fedecommesso-bepaling. Hierdoor bleven collecties niet alleen in stand maar konden vaak nog eens verder uitgebreid worden door de erfgenamen omdat deze er zeker van waren dat hun verzameling in zijn totaliteit zou blijven voortbestaan. De schilderijencollectie van de familie Colonna is hiervan niet het minste voorbeeld. Dankzij de bepaling heeft deze collectie tot op de dag van vandaag niet alleen haar opbouw behouden maar is zij daarnaast nog steeds op haar originele locatie te vinden in Palazzo Colonna. En zoals de flaptekst zegt te bezichtigen in de “Sala del Vanvitelli dell’Appartamento della Principessa Isabella”.

Sala-del-Vanvitelli

Colonna

Onder de belangrijkste opdrachtgevers van Caspar van Wittel waren Lorenzo Onofrio Colonna (1637-1689) en zijn zoon Filippo II Colonna (1663-1714) en ook vandaag de dag zijn er nog zeker 37 schilderijen van Van Wittel in de Colonna-collectie.

Palazzo Colonna is nog steeds priv√©bezit van de Colonna’s en de Galleria Colonna is dan ook alleen op zaterdagochtend geopend voor bezoekers. Het is een priv√©-museum dus de entree is behoorlijk prijzig en aangezien ik er al meermaals geweest ben had ik besloten het paleis zelf niet meer te bezoeken. Er was echter een nieuw boekje uitgekomen over Van Wittel en de Colonna’s wat ik graag even wilde inzien dus ik ben vanochtend naar de boekwinkel van het paleis gegaan om te kijken of het wat was. De meeste informatie kwam me bekend voor maar ik heb het voor de volledigheid van mijn eigen collectie toch maar gekocht, het was niet heel duur en licht genoeg om nog in de koffer mee te kunnen. In de kleine boekwinkel werd er ook een video afgespeeld die ik al kende maar waar ik weer hard om moest lachen (zie aan het einde van dit verhaal).

De familie Colonna is een adellijke familie die teruggaat tot de de 12e eeuw en de familie kende een aantal illustere leden. Zo is de enorme Galleria Colonna, de grote hal, een eerbetoon aan Marcantonio II Colonna, de aanvoerder van de zeemacht die bij de Slag bij Lepanto de Turken versloeg. Ook telde de familie in haar gelederen diverse kardinalen en een paus, Martinus V oftewel Oddone Colonna (1368-1431). Deze laatste was de eerste paus na het zogenaamde Westers Schisma. De familie heeft voor zover ik het begrepen heb ook nu nog steeds sterke banden met het Vaticaan.

Maar terug naar Lorenzo Onofrio Colonna. Hij was getrouwd met Maria Mancini, een nicht van de Franse kardinaal Mazarin. Ze waren nogal van de feesten en partijen en wilden graag dat hun paleis de ‘hotspot’ van de stad was. Daarvoor kochten ze o.a. ook feestartikelen bij de kunsthandelaar Pellegrino Peri, waar ze waarschijnlijk in aanraking zijn gekomen met het werk van Caspar. Het was ondanks alle pracht en praal geen gelukkig huwelijk. Maria was als we de verhalen mogen geloven, voor haar trouwen de favoriete ma√ģtresse geweest van Lodewijk XIV en waarschijnlijk was ze niet erg gecharmeerd van haar echtgenoot. Ze¬†heeft haar man zelfs verlaten en is pas nadat hij was overleden teruggekomen naar Itali√ę. Ondanks dat kreeg het echtpaar toch drie kinderen en wel drie zoons: Filippo II, Marcantonio en Carlo (die later kardinaal werd).¬†

Lorenzo was een groot kunstliefhebber en samen met zijn eerstgeboren zoon kocht hij veel werk aan van Caspar en gaf hem diverse opdrachten o.a. om de familiebezittingen af te beelden. Alle takken van de Colonna-familie samen schijnen meer dan 100 Van Wittels te hebben gehad maar dat lijkt mij persoonlijk een wat te hoog ingeschat aantal. In de geheel herziene Briganti-monografie over Caspar uit 1996 staan in totaal 460 schilderijen vermeld en 491 tekeningen (ja ja, druk baasje, die Caspar). Lorenzo bezat zelf 37 schilderijen, het aantal dat nu nog in de collectie te vinden is. Veel van de Van Wittels hangen in een aparte zaal, gewijd aan de schilder, die zich bevindt in de Appartemento Principessa Isabelle (waar je overigens apart entree voor moet betalen). In de Sala Vanvitelli bevinden zich niet alle schilderijen van Caspar uit de collectie, er hangen er schijnbaar ook nog een aantal in privé-vertrekken van de familie.

Voor wie het leuk vindt wat meer te weten over het paleis, kijk even op hun website:¬†http://www.galleriacolonna.it/en/ (voor de engelse versie) en onderstaand een filmpje over het paleis en de collectie. In het Italiaans dus misschien niet voor iedereen (en sommigen hebben het al eens gezien) maar na circa zeseneenhalve minuut komt een zeer geromantiseerde versie van Caspar langs, aan het werk met zijn “camera ottica”, echt te grappig! (Als klikken niet werkt, dit is het adres van de webpagina:¬†www.vimeo.com/45441086.)

Dagelijks werk

Het dagelijks werk bij onderzoek is voornamelijk achter je bureau zitten en veel lezen.

Niet alleen in mijn ‘eigen’ bibliotheek van het KNIR, maar ook in archieven en andere bibliotheken.

Gisteren was ik naar het ACOR, het Archivo della Congregazione dell’Oratorio di San Filippo Neri. Dat is het archief van de Santa Maria in Vallicella oftewel de Chiesa Nuova, waar Caspar van Wittel begraven ligt. In het graf liggen Caspar en zijn vrouw Anna, hun dochter Petronilla en twee vroeg gestorven kinderen van zoon Luigi Vanvitelli.

Ik was er om de directeur van het archief te spreken over het graf en archiefstukken te bekijken die ik vorig jaar ook al had gezien maar die ik voor de zekerheid nogmaals wilde bestuderen in het kader van mijn onderzoekslijn naar de leeftijd van Caspar bij zijn overlijden.

Vandaag was ik voor de laatste keer in het walhalla van de kunstgeschiedenis, de Bibliotheca Hertziana. Daar heb ik al vaker over verteld, maar in het kader van de dagelijkse bezigheden is het misschien leuk nog iets te laten zien van het zoekwerk binnen de bibliotheek.

De boeken zijn verdeeld over vier verschillende etages en over vier verschillende gebouwen/bouwdelen. Het is dus soms flink zoeken naar de juiste ruimte waar de door jou gezochte publicatie zich bevindt. Het kan een boek zijn of een artikel maar afgaande op de catalogusnummers ga je naar de juiste etage in het juiste gebouw en gaat daar op zoek. Je ‘leent’ je boeken dan middels je pasje wat je bij binnenkomst krijgt (en dan laat ik bij deze alle regels omtrent binnenkomen, aanmelden, het gebouw verlaten, etc. even buiten beschouwing) en dat pasje registreert dan de boeken op jouw plek in de bibliotheek (je krijgt een plaats toegewezen bij binnenkomst, je toegangspas nemen ze in en die correspondeert met je pasje). Als je klaar bent, check je de boeken weer uit en brengt ze weer terug naar de juiste ruimte. Je hoeft ze daar dan niet op te ruimen, je mag ze ook op karren neerleggen want er lopen de hele dag door mensen van de bibliotheek alles weer op de juiste plek op de planken terug te zetten. Ik zelf doe het altijd wel omdat je maar nooit weet of iemand net op zoek is naar die titel die jij net hebt teruggebracht.

Je moet dus zelf de titels die je wilt inzien opzoeken en dat is soms best wel wat werk want je moet zoals gezegd naar de juiste ruimte maar er zijn ook ruimtes (vooral met tijdschriften, bundels artikelen, e.d.) waarin verrijdbare hoge archiefkasten staan die je moet openen door aan de ‘wielen’ aan de buitenkant te draaien. En als je dan net in een kast moet zijn helemaal aan de andere kant van de ruimte moet je dus al die kasten vanaf het begin verrijden om bij de laatste te komen. En meer dan drie-vier kasten tegelijk krijg je niet voor elkaar. Als je dan een tussenruimte hebt gekregen waar je in moet zijn, zet je de kast aan de buitenkant op slot door de knop in te duwen. Dit voorkomt dat iemand de kasten gaat verrijden terwijl jij er tussen staat. Als je de titel hebt gevonden en je loopt er tussenuit, moet je wel de knop weer uittrekken zodat de volgende de kasten ook weer kan bewegen als hij of zijn in een ander stuk moet zijn.

Nu ik eenmaal gewend ben aan alles, is bovenstaande dagelijks werk geworden. En het is zeker ook wel fijn om van tijd tot tijd even op zoek te moeten naar een titel want dan ben je tenminste even in beweging.

Maar uiteindelijk, waar je ook bent om aan je onderzoek te werken, twee zaken zijn in het dagelijks werk absoluut onmisbaar: koffie en heel, heel veel notities maken!!

Palazzo Corsini

Vandaag had ik fijn de ochtend vrij genomen om samen met Gloria (die een week in Rome is) een bezoek te brengen aan palazzo Corsini. Hier was ik nog niet eerder geweest al ligt daar in de bibliotheek toch echt wel het eerste manuscript van Cornelis Meijer over de Tiber. Ja inderdaad, dat exemplaar waar op de titelpagina staat dat onze Caspar de tekeningen heeft gemaakt. Helaas heb ik al twee keer nul op rekest gekregen toen ik een aanvraag indiende om het te mogen zien ūüė¶ Inmiddels is dat voor mij ook een beetje een ‘running gag’ geworden omdat… ja, waarom… dan moet ik eerst iets meer vertellen over het gebouw en de bewoners!

Met de bouw van Palazzo Corsini werd begonnen in 1551 in opdracht van kardinaal Raffaele Riario. Het oorspronkelijke gebouw werd aangepast tussen 1659 en 1689, toen het de residentie werd van Christina van Zweden, de voormalige koningin. Deze dame had afstand gedaan van de Zweedse troon, bekeerde zich tot het katholicisme en verhuisde in 1655 naar Rome. Over haar valt heel veel te vertellen maar voor nu alleen dat ze een groot liefhebster was van kunst en cultuur. Ze gebruikte het paleis dan ook onder andere als een ontmoetingsplaats voor een kring van intellectuelen die met haar als beschermvrouwe was opgezet, de zogenoemde “Accademia degli Arcadi”. Van deze kring is ook Luigi Vanvitelli nog lid geweest onder de naam “Archimedes Fidiaco”. In het paleis is nog steeds een kamer aan haar gewijd, de “Alcova della Regina” waar de decoraties uit de zestiende eeuw nog te zien zijn.

In 1736 veranderde het paleis van eigenaar en kwam het in handen van de familie Corsini nadat Lorenzo Corsini was verkozen tot paus Clemens XII. Deze familie kwam oorspronkelijk uit Florence en kwam nu naar de Eeuwige Stad waar ze natuurlijk behoefte had aan geschikte woonruimte, passend bij de status van de nieuwe paus. Het bestaande gebouw werd onder leiding van de neef van de paus, kardinaal Neri Corsini, helemaal geherstructureerd en uitgebreid. Hiervoor namen ze natuurlijk ook een Florentijnse architect in de arm: Ferdinando Fuga. Neef Neri was een fervent verzamelaar van kunst en boeken en hij bracht een behoorlijke collectie samen. De kardinaal had de Toscaanse geleerde Giovanni Gaetano Bottari laten overkomen naar Rome en hij had de leiding over de collectie en de bibliotheek. Nu is deze Bottari ¬†waarschijnlijk degene geweest die op het titelblad van het Meijer-manuscript heeft toegevoegd dat de tekeningen van de hand van Caspar zijn. Dat is niet helemaal zeker, maar de tekst is in ieder geval later bijgeschreven en er wordt gezegd dat het het handschrift is van Bottari.¬†Nu is het zo dat het ‘Toscaanse kamp’ een geduchte vijand was van Luigi. Dit was al begonnen in Rome (naar aanleiding van scheuren in de koepel van de Sint Pieter) maar de vete ging vrolijk door in Napels omdat daar Ferdinando Fuga en Luigi beiden om de gunsten dongen van de koning van Napels.

Ik schreef hier al over in mijn bachelorscriptie en dit verhaal blijft tijdens mijn onderzoek steeds terugkomen. En als mijn verzoeken dan afgewezen worden door ‘hun’ bibliotheek (dat is niet echt zo hoor, het paleis en de collectie zijn in 1883 aan de staat verkocht) voel ik toch wat bitterschap opkomen, ik ben natuurlijk ten alle tijden loyaal aan het ‘Van Wittel/Vanvitelli-kamp’ ūüėČ Dit natuurlijk met een dikke vette knipoog, maar het is soms heerlijk even lekker ongenuanceerd te zijn tussen alle onderbouwde redeneringen en gedegen onderzoeksresultaten door!

De “Vite” van Lione Pascoli

Lange dagen in de Hertziana en nog steeds bezig met Cornelis Meijer maar inmiddels ook met Lione Pascoli.

Lionel Pascoli (1674-1744) schreef een van de vroegste biografie√ęn van Caspar van Wittel ¬†en zijn levensbeschrijving van Caspar geldt nog steeds als de meest gedetailleerde en meest ge√Įnformeerde.¬†Pascoli beschreef meerdere kunstenaarslevens die werden gepubliceerd vanaf 1730: Vite de‚Äô pittori, scultori, ed architetti moderni, volume I werd uitgegeven in 1730, volume II in 1736 en daar tussendoor in 1732 kwam¬†Vite de‚Äô pittori, scultori, ed architetti perugini uit. Hij was bezig met een volgend deel met levensbeschrijvingen over (toentertijd) contemporaine kunstenaars, waaronder dat van Caspar, maar dit werd nooit uitgegeven. Het originele manuscript hiervoor, dat door Pascoli zelf met de hand geschreven is, bevindt zich in de Biblioteca Comunale ‚ÄúAugusta‚ÄĚ in Perugia. De biografie van Van Wittel telt in totaal 21 pagina‚Äôs en bestaat uit twee delen.¬†Het eerste deel beslaat zestien (handgeschreven) pagina’s, de tweede vijf pagina’s. Pascoli beschrijft eigenlijk twee keer Caspars leven, de tweede versie is een soort samenvatting van de eerste plus wat extra details. Uiteindelijk werd het manuscript van Pascoli toch nog in gedrukte vorm uitgegeven in 1981 en de levensbeschrijving van Caspar hierin werd geredigeerd door Giuliano Briganti (die de gezaghebbende monografie over Caspar heeft geschreven).

Nu is het zo dat Pascoli de “levens” van de voor hem contemporaine kunstenaars grotendeels heeft geschreven tussen 1730 en 1736. Caspars levensbeschrijving is door Pascoli ¬†waarschijnlijk opgeschreven vlak voor het overlijden van de schilder. Hij vertelt namelijk ergens¬†over een reis die Van Wittel maakt naar Urbino met Luigi die dan 18 jaar is en schrijft vervolgens dat Luigi op dat moment 34 jaar is. Luigi werd geboren op 12 mei 1700, wat zou betekenen dat Pascoli (in ieder geval) dit stuk schreef tussen mei 1734 en mei 1735. Pascoli was bevriend met Luigi dus we kunnen er wel van uitgaan dat hij wist hoe oud Luigi op enig gegeven moment was. En omdat Pascoli zowel een tijdgenoot was van Caspar als hem dus ook persoonlijk kende, mogen we toch wel zeggen dat de kans groot is dat veel details in Caspars levensbeschrijving zoals die door Pascoli werden beschreven waar zullen zijn.

Veel onderzoekswerk zit ‘m vaak in het uitzoeken van dit soort dingen. Want je kunt wel ergens lezen dat iets zo of zo gebeurd is, maar wat voor bron is dat dan, waar is deze bron op gebaseerd, kun je op die bron vertrouwen en waarom wel of niet, zijn er meer bronnen die hetzelfde zeggen, enzovoorts. Als ik dat van iemand er in ‘geramd’ heb gekregen tijdens de studie, dan wel van Arno Witte, mijn scriptiebegeleider. Leuk als je bedenkt dat hij in diezelfde Hertziana ook hard aan het werk is!

Lione_pascoli_pinacoteca_di_deruta

 

Cornelis Meijer & de Tiber – dl 2

Gisteren heb ik in de Hertziana koffie gedronken met d√® Van Wittel-expert dottoressa Laura Laureati. Ze is zelf met een artikel bezig over een aantal Van Wittel-schilderijen in de Colonna-collectie die nog nooit beschreven zijn (herkomst e.d.) en ze wist me natuurijk weer allerlei interessante dingen te vertellen. Daardoor ben ik een beetje van mijn onderzoekspad afgedwaald want ik was begonnen aan voorlopers en navolgers van Caspar maar ben nu weer teruggaan naar extra onderzoek naar Luigi (zie mijn activiteiten van gisteren) en Cornelis Meijer. Schijnbaar is er de laatste jaren namelijk meer onderzoek gedaan naar de Nederlandse ingenieur en zijn ervaringen in Itali√ę.

 

meyer

En dat bleek inderdaad het geval. Want toen Meijer vanuit Amsterdam naar Itali√ę vertrok, blijkt hij helemaal niet voor het jubeljaar 1675 naar Rome te zijn gereisd zoals hij later aan zijn vrienden in Rome vertelde, maar naar Veneti√ę! En dat was schijnbaar ook echt wel de bedoeling want voor zijn vertrek had de slimmerik een pamflet laten drukken met allerhande technische hydraulische constructies om zijn kwaliteiten te kunnen aanprijzen in de Venetiaanse republiek. Ze hadden daar natuurlijk net als in de Nederlanden verschillende soorten problemen met water, dat havens dicht slibden of dat moerassig land moest worden drooggelegd, enzovoorts. En geloof het of niet, de Venetiaanse overheid was best onder de indruk van alle idee√ęn van Meijer en gaven hem de supervisie over een project om de haven uit te dreggen. Sterker nog, ze gaven hem de titel van ingenieur!

Nog voor hij aan zijn havenproject was begonnen, vertrok Meijer naar Rome met de belofte om snel naar Veneti√ę terug te komen. Dat pakte echter anders uit dan gedacht want in Rome kwam hij via de Venetiaanse ambassadeur bij de Heilige Stoel in het Vaticaan terecht waar hij in al zijn wijsneuzigheid de toenmalige paus wist te vertellen dat hij een project ten noorden van de stad, bij de Via Flaminia, veel beter en goedkoper kon uitvoeren dan degene die op dat moment over dat project de leiding had. En ja hoor, ook in dit geval kreeg Meijer de opdracht en ging hij aan de slag. Dit project wist hij op zich tot een goed einde te brengen, al kwam hij hiermee vervolgens wel in een patstelling met de paus terecht. Aangezien Meijer voor het Via Flaminia-project de werkzaamheden uit eigen zak had voorgeschoten, zag hij zich gedwongen een tweede opdracht van de paus te aanvaarden om zo alsnog uit de voorgeschoten kosten te komen. En laat dat nou net het Tiber-project zijn!

Daar valt ook weer meer over te vertellen, maar dat bewaar ik nog even totdat ik dat helemaal op een rijtje heb. Voor nu nog een korte toevoeging aan het eerdere want zoals gezegd werd Meijer dus geboren in Amsterdam maar ik nog niet had verteld was dat hij ter wereld kwam binnen een Luthers milieu. Wat weer niet helemaal strookt met zijn eigen woorden tegen vrienden in Rome dat hij voor het jubeljaar naar de Heilige Stad was gekomen. Maar laat nu toch onze grote vriend Hoogewerff in zijn boek over de parochiale archieven te hebben genoteerd dat hij zich (kennelijk) heeft bekeerd toen hij in Rome woonde! In 1683 staat hij nog te boek als “luterano” maar twee jaar later staat in het parochieboek “comunicato”, dus hij was toen inmiddels katholiek geworden. Wat grappig toch dat alle lijntjes aan het eind altijd weer samen komen ūüôā

Lettere di Luigi

Vanaf vandaag is mijn dagelijkse heenreis niet richting het archief maar naar de Bibliotheca Hertziana. Ik geef toe, het is niet makkelijk om er binnen te komen en het hangt van regeltjes aan elkaar, maar het is dan ook wel echt een top-bibliotheek! Je krijgt een eigen plek met eigen wifi-code, aansluiting voor je oplader en leeslamp, het is er licht, heerlijk koel (altijd voor de zekerheid een shawl mee in de tas ook al is het 37 graden buiten) en het heeft echt ALLES op het gebied van kunstgeschiedenis. Een hele plank vol met Caspar van Wittel en Luigi Vanvitelli (die braaf naast elkaar staan onder de kop Ca-VAN), hoe fijn is dat!

Ik ben maar eens begonnen met een staartje van vorige week, ik moest nog een referentie opzoeken inzake Caspars leeftijd in een brief van zijn zoon Luigi aan diens broer Urbano (de tweede zoon van Caspar). Luigi werd in 1751 door de toenmalige koning van Napels, Karel van Bourbon, gevraagd een ontwerp te maken voor een paleis dat Versailles moest evenaren. Hij kreeg de opdracht en bracht vanaf dat moment het grootste deel van zijn tijd door in Napels en later Caserta, waar het paleis werd gebouwd. In deze periode schreef hij veel brieven en met name legio aan zijn broer Urbano die ondertussen de familiezaken behartigde in Rome. Praktisch al deze brieven zijn door Franco Strazzullo, een Napolitaanse historicus, bij elkaar gebracht en van een korte uitleg voorzien in drie zoals dat heet ‘kloeke’ bundels. En daarmee bedoel ik drie boeken van elk zo’n 800 pagina’s, niet de dunste boekjes in de kast dus. De brieven zijn soms wat moeilijk leesbaar door het achttiende-eeuwse Italiaans maar de grote lijnen haal ik er wel zo’n beetje uit.

Luigi was niet altijd even gelukkig in Napels/Caserta. Hij had in Rome bij zijn werkzaamheden daar voor de bouwfabriek van de Sint Pieter vrienden gemaakt, maar ook veel tegenstand ondervonden, vooral vanuit het zogenaamde ‘Toscaanse kamp’. Bij een controverse rondom scheuren in de koepel van de Sint Pieter, waren de mensen met een Florentijnse achtergond recht tegenover Vanvitelli en de zijnen komen te staan. Dit omdat de Florentijnen ‘hun’ Michelangelo natuurlijk tot in den treure verdedigden, het kon toch niet zo zijn dat het werk van Michelangelo de tijd niet zou kunnen weerstaan of dat de grote meester √ľberhaupt fouten gemaakt kon hebben! Beide groepen voerden openlijk campagne voor hun eigen overtuigingen dus dat was uitgemond in een behoorlijke vete. Helaas voor Luigi nam hij deze rivaliteit mee naar Napels waar zijn voornaamste concurrent de Toscaanse architect Ferdinando Fuga was.¬†Beide architecten hadden een goede staat van dienst en dongen naar de gunsten van Karel van Bourbon. Het was de koninklijke macht die de dienst uitmaakte in Napels, maar net als in Rome waar wisseling van de paus ook een directe wijziging in machtsblokken tot gevolg had, waren er hier allerlei hofintriges die het Luigi niet altijd makkelijk maakten. Gelukkig stond hij op goede voet met de koning en zijn vrouw, die zijn ontwerpen mooi vonden en hem prefereerden boven Fuga, die de opdracht kreeg voor een armenhuis in Napels. Karel van Bourbon werd echter in 1759 teruggeroepen naar Spanje omdat zijn halfbroer overleed en hij de volgende was in de lijn van troonsopvolging. Hierna kreeg Luigi het een stuk moeilijker. De nieuwe koning Ferdinand IV was erg jong, niet ge√Įnteresseerd in de koninklijke architect en¬†Fuga‚Äôs promotor Tanucci kreeg het als regent voor het zeggen. Naast alle konkelarij van de ‘hofkliek’ was Luigi de eerste jaren ook alleen, zijn familie woonde nog in Rome. Hij had het bijna te druk om zijn vrouw en kinderen te missen maar was wel erg van slag toen een van zijn dochters overleed en hij zo ver van huis was. Toen eenmaal zeker was dat hij definitief als hofarchitect was aangesteld (wat behoorlijk lang duurde) kwam een deel van zijn familie over. De opleiding van zijn zoons was echter wel zo belangrijk voor hem dat zij lange tijd hiervoor in Rome bij hun oom Urbano en tante Petronilla in huis bleven wonen.

Omdat Luigi zoveel brieven schreef zijn alle ontwikkelingen in zijn leven praktisch op voet te volgen, heel interessant om te lezen. Soms gaat het over hele grote dingen als overlijden van vrienden of familie maar soms ook over hele dagelijkse dingen. Zo las ik vandaag ergens dat hij voor de ceremonie van de eerste steenlegging van het paleis in Napels een blauwe mantel liet maken. Grappig om te lezen want op de schildering die gemaakt is van de gelegenheid (te zien op het plafond van de troonzaal van Caserta) heeft de architect (net links van het midden, met het ontwerp in zijn hand) toch duidelijk een bruine mantel aan!

Cerimonia_della_posa_della_prima_pietra_del_Palazzo_Reale_di_Caserta

Lieven Cruyl

Zoals ik vrijdag vertelde, ben ik inmiddels bezig aan het volgende onderdeel van mijn onderzoek: voorlopers en directe volgers van Caspar van Wittel. Een van de vele namen die ik hierbij tegenkom is die van Lieven Cruyl, in de Italiaanse literatuur vaak gespeld als Lievin Cruyl. (We kwamen zijn naam gisteren ook al tegen als maker van een van de plattegronden met de Piazza del Popolo links op de kaart.)

Cruyl werd in 1634 in Gent geboren en is daar ook gestorven, ergens voor 1720. Hij was een ontwerper en graveur maar ook een architect en bovendien een priester. Hij studeerde theologie en architectuur in Leuven maar verbleef lange tijd in Parijs en in Itali√ę. Hier maakte hij veel topografische stadsgezichten, waarmee hij een grote bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van stadsgezichten of vedute. Hij produceerde een groot aantal tekeningen en grafische werken, waaronder ook veel van de bezienswaardigheden in Rome. Veel van deze maakte hij rond 1660-1670 dus nog voor Caspar in de stad arriveerde. In zijn tekeningen gaf hij behoorlijk precies weer wat hij zag en vaak met een panoramische blik en hierin was hij dus echt een directe voorloper van Caspar en zijn werk.

d5450cb819607b471a1cf1dc82f76f2605_lieven_cruyl_-_piazza_colonna__looking_toward_the_chigi_palace_-_1665-14457A96083019FB70F

Het wordt ook wel gezegd dat hij de stad soms te idealistisch weergaf, zijn afbeeldingen zouden als propaganda zijn gebruikt door paus Alexander VII. De visie van deze paus op de stad was nogal gekleurd, hij vond dat de waardigheid van Rome verhoogd moest worden (en daarmee natuurijk ook die van hemzelf als hoofd van de katholiek kerk) en ontplooide dus nogal wat bouwactiviteiten in de stad. Hij verbeterde de doorstroming van het verkeer (door verbetering van het stratenpatroon en het oplossen van verkeersproblemen) maar liet ook gebouwen restaureren en de stad verfraaien. Hij wilde brede, open straten en mooie, grote pleinen om zo een ideale zeventiende eeuwse stad te cre√ęren. Dat kun je inderdaad ook terugzien in Cruyls tekeningen van de stad, ze zijn (in mijn ogen dan) eerder een ideaalbeeld dan een weergave van de moderne levende stad zoals Caspar dat deed.

Over de invloed van Cruyl op het werk van Casper schrijft An Zwollo in haar boek over Hollandse en Vlaamse veduteschilders in Rome uit 1975: “De voorliefde voor sterke verkorten, vaak gezien vanuit een vogelperspectief, de miniatuurachtige gedetailleerde uitvoering op perkament en de uiterst kleine figuurtjes, die het werk van Lieven Cruyl kenmerken, vindt men in de vroege tekeningen van Caspar van Wittel terug.”

Tot slot een leuke vergelijking, onderstaand een tekening van Cruyl en een tekening van Caspar van Campidoglio. Ik ben benieuwd naar wat jullie van de verschillen vinden!

lieven_cruyl_view_of_the_capitol_with_the_church_of_santa_maria_aracoe_d5698884gVeduta-del-Campidoglio-e-dellAracoeli