Colonna

Onder de belangrijkste opdrachtgevers van Caspar van Wittel waren Lorenzo Onofrio Colonna (1637-1689) en zijn zoon Filippo II Colonna (1663-1714) en ook vandaag de dag zijn er nog zeker 37 schilderijen van Van Wittel in de Colonna-collectie.

Palazzo Colonna is nog steeds privébezit van de Colonna’s en de Galleria Colonna is dan ook alleen op zaterdagochtend geopend voor bezoekers. Het is een privé-museum dus de entree is behoorlijk prijzig en aangezien ik er al meermaals geweest ben had ik besloten het paleis zelf niet meer te bezoeken. Er was echter een nieuw boekje uitgekomen over Van Wittel en de Colonna’s wat ik graag even wilde inzien dus ik ben vanochtend naar de boekwinkel van het paleis gegaan om te kijken of het wat was. De meeste informatie kwam me bekend voor maar ik heb het voor de volledigheid van mijn eigen collectie toch maar gekocht, het was niet heel duur en licht genoeg om nog in de koffer mee te kunnen. In de kleine boekwinkel werd er ook een video afgespeeld die ik al kende maar waar ik weer hard om moest lachen (zie aan het einde van dit verhaal).

De familie Colonna is een adellijke familie die teruggaat tot de de 12e eeuw en de familie kende een aantal illustere leden. Zo is de enorme Galleria Colonna, de grote hal, een eerbetoon aan Marcantonio II Colonna, de aanvoerder van de zeemacht die bij de Slag bij Lepanto de Turken versloeg. Ook telde de familie in haar gelederen diverse kardinalen en een paus, Martinus V oftewel Oddone Colonna (1368-1431). Deze laatste was de eerste paus na het zogenaamde Westers Schisma. De familie heeft voor zover ik het begrepen heb ook nu nog steeds sterke banden met het Vaticaan.

Maar terug naar Lorenzo Onofrio Colonna. Hij was getrouwd met Maria Mancini, een nicht van de Franse kardinaal Mazarin. Ze waren nogal van de feesten en partijen en wilden graag dat hun paleis de ‘hotspot’ van de stad was. Daarvoor kochten ze o.a. ook feestartikelen bij de kunsthandelaar Pellegrino Peri, waar ze waarschijnlijk in aanraking zijn gekomen met het werk van Caspar. Het was ondanks alle pracht en praal geen gelukkig huwelijk. Maria was als we de verhalen mogen geloven, voor haar trouwen de favoriete maîtresse geweest van Lodewijk XIV en waarschijnlijk was ze niet erg gecharmeerd van haar echtgenoot. Ze heeft haar man zelfs verlaten en is pas nadat hij was overleden teruggekomen naar Italië. Ondanks dat kreeg het echtpaar toch drie kinderen en wel drie zoons: Filippo II, Marcantonio en Carlo (die later kardinaal werd). 

Lorenzo was een groot kunstliefhebber en samen met zijn eerstgeboren zoon kocht hij veel werk aan van Caspar en gaf hem diverse opdrachten o.a. om de familiebezittingen af te beelden. Alle takken van de Colonna-familie samen schijnen meer dan 100 Van Wittels te hebben gehad maar dat lijkt mij persoonlijk een wat te hoog ingeschat aantal. In de geheel herziene Briganti-monografie over Caspar uit 1996 staan in totaal 460 schilderijen vermeld en 491 tekeningen (ja ja, druk baasje, die Caspar). Lorenzo bezat zelf 37 schilderijen, het aantal dat nu nog in de collectie te vinden is. Veel van de Van Wittels hangen in een aparte zaal, gewijd aan de schilder, die zich bevindt in de Appartemento Principessa Isabelle (waar je overigens apart entree voor moet betalen). In de Sala Vanvitelli bevinden zich niet alle schilderijen van Caspar uit de collectie, er hangen er schijnbaar ook nog een aantal in privé-vertrekken van de familie.

Voor wie het leuk vindt wat meer te weten over het paleis, kijk even op hun website: http://www.galleriacolonna.it/en/ (voor de engelse versie) en onderstaand een filmpje over het paleis en de collectie. In het Italiaans dus misschien niet voor iedereen (en sommigen hebben het al eens gezien) maar na circa zeseneenhalve minuut komt een zeer geromantiseerde versie van Caspar langs, aan het werk met zijn “camera ottica”, echt te grappig! (Als klikken niet werkt, dit is het adres van de webpagina: www.vimeo.com/45441086.)

Dagelijks werk

Het dagelijks werk bij onderzoek is voornamelijk achter je bureau zitten en veel lezen.

Niet alleen in mijn ‘eigen’ bibliotheek van het KNIR, maar ook in archieven en andere bibliotheken.

Gisteren was ik naar het ACOR, het Archivo della Congregazione dell’Oratorio di San Filippo Neri. Dat is het archief van de Santa Maria in Vallicella oftewel de Chiesa Nuova, waar Caspar van Wittel begraven ligt. In het graf liggen Caspar en zijn vrouw Anna, hun dochter Petronilla en twee vroeg gestorven kinderen van zoon Luigi Vanvitelli.

Ik was er om de directeur van het archief te spreken over het graf en archiefstukken te bekijken die ik vorig jaar ook al had gezien maar die ik voor de zekerheid nogmaals wilde bestuderen in het kader van mijn onderzoekslijn naar de leeftijd van Caspar bij zijn overlijden.

Vandaag was ik voor de laatste keer in het walhalla van de kunstgeschiedenis, de Bibliotheca Hertziana. Daar heb ik al vaker over verteld, maar in het kader van de dagelijkse bezigheden is het misschien leuk nog iets te laten zien van het zoekwerk binnen de bibliotheek.

De boeken zijn verdeeld over vier verschillende etages en over vier verschillende gebouwen/bouwdelen. Het is dus soms flink zoeken naar de juiste ruimte waar de door jou gezochte publicatie zich bevindt. Het kan een boek zijn of een artikel maar afgaande op de catalogusnummers ga je naar de juiste etage in het juiste gebouw en gaat daar op zoek. Je ‘leent’ je boeken dan middels je pasje wat je bij binnenkomst krijgt (en dan laat ik bij deze alle regels omtrent binnenkomen, aanmelden, het gebouw verlaten, etc. even buiten beschouwing) en dat pasje registreert dan de boeken op jouw plek in de bibliotheek (je krijgt een plaats toegewezen bij binnenkomst, je toegangspas nemen ze in en die correspondeert met je pasje). Als je klaar bent, check je de boeken weer uit en brengt ze weer terug naar de juiste ruimte. Je hoeft ze daar dan niet op te ruimen, je mag ze ook op karren neerleggen want er lopen de hele dag door mensen van de bibliotheek alles weer op de juiste plek op de planken terug te zetten. Ik zelf doe het altijd wel omdat je maar nooit weet of iemand net op zoek is naar die titel die jij net hebt teruggebracht.

Je moet dus zelf de titels die je wilt inzien opzoeken en dat is soms best wel wat werk want je moet zoals gezegd naar de juiste ruimte maar er zijn ook ruimtes (vooral met tijdschriften, bundels artikelen, e.d.) waarin verrijdbare hoge archiefkasten staan die je moet openen door aan de ‘wielen’ aan de buitenkant te draaien. En als je dan net in een kast moet zijn helemaal aan de andere kant van de ruimte moet je dus al die kasten vanaf het begin verrijden om bij de laatste te komen. En meer dan drie-vier kasten tegelijk krijg je niet voor elkaar. Als je dan een tussenruimte hebt gekregen waar je in moet zijn, zet je de kast aan de buitenkant op slot door de knop in te duwen. Dit voorkomt dat iemand de kasten gaat verrijden terwijl jij er tussen staat. Als je de titel hebt gevonden en je loopt er tussenuit, moet je wel de knop weer uittrekken zodat de volgende de kasten ook weer kan bewegen als hij of zijn in een ander stuk moet zijn.

Nu ik eenmaal gewend ben aan alles, is bovenstaande dagelijks werk geworden. En het is zeker ook wel fijn om van tijd tot tijd even op zoek te moeten naar een titel want dan ben je tenminste even in beweging.

Maar uiteindelijk, waar je ook bent om aan je onderzoek te werken, twee zaken zijn in het dagelijks werk absoluut onmisbaar: koffie en heel, heel veel notities maken!!

Palazzo Corsini

Vandaag had ik fijn de ochtend vrij genomen om samen met Gloria (die een week in Rome is) een bezoek te brengen aan palazzo Corsini. Hier was ik nog niet eerder geweest al ligt daar in de bibliotheek toch echt wel het eerste manuscript van Cornelis Meijer over de Tiber. Ja inderdaad, dat exemplaar waar op de titelpagina staat dat onze Caspar de tekeningen heeft gemaakt. Helaas heb ik al twee keer nul op rekest gekregen toen ik een aanvraag indiende om het te mogen zien 😦 Inmiddels is dat voor mij ook een beetje een ‘running gag’ geworden omdat… ja, waarom… dan moet ik eerst iets meer vertellen over het gebouw en de bewoners!

Met de bouw van Palazzo Corsini werd begonnen in 1551 in opdracht van kardinaal Raffaele Riario. Het oorspronkelijke gebouw werd aangepast tussen 1659 en 1689, toen het de residentie werd van Christina van Zweden, de voormalige koningin. Deze dame had afstand gedaan van de Zweedse troon, bekeerde zich tot het katholicisme en verhuisde in 1655 naar Rome. Over haar valt heel veel te vertellen maar voor nu alleen dat ze een groot liefhebster was van kunst en cultuur. Ze gebruikte het paleis dan ook onder andere als een ontmoetingsplaats voor een kring van intellectuelen die met haar als beschermvrouwe was opgezet, de zogenoemde “Accademia degli Arcadi”. Van deze kring is ook Luigi Vanvitelli nog lid geweest onder de naam “Archimedes Fidiaco”. In het paleis is nog steeds een kamer aan haar gewijd, de “Alcova della Regina” waar de decoraties uit de zestiende eeuw nog te zien zijn.

In 1736 veranderde het paleis van eigenaar en kwam het in handen van de familie Corsini nadat Lorenzo Corsini was verkozen tot paus Clemens XII. Deze familie kwam oorspronkelijk uit Florence en kwam nu naar de Eeuwige Stad waar ze natuurlijk behoefte had aan geschikte woonruimte, passend bij de status van de nieuwe paus. Het bestaande gebouw werd onder leiding van de neef van de paus, kardinaal Neri Corsini, helemaal geherstructureerd en uitgebreid. Hiervoor namen ze natuurlijk ook een Florentijnse architect in de arm: Ferdinando Fuga. Neef Neri was een fervent verzamelaar van kunst en boeken en hij bracht een behoorlijke collectie samen. De kardinaal had de Toscaanse geleerde Giovanni Gaetano Bottari laten overkomen naar Rome en hij had de leiding over de collectie en de bibliotheek. Nu is deze Bottari  waarschijnlijk degene geweest die op het titelblad van het Meijer-manuscript heeft toegevoegd dat de tekeningen van de hand van Caspar zijn. Dat is niet helemaal zeker, maar de tekst is in ieder geval later bijgeschreven en er wordt gezegd dat het het handschrift is van Bottari. Nu is het zo dat het ‘Toscaanse kamp’ een geduchte vijand was van Luigi. Dit was al begonnen in Rome (naar aanleiding van scheuren in de koepel van de Sint Pieter) maar de vete ging vrolijk door in Napels omdat daar Ferdinando Fuga en Luigi beiden om de gunsten dongen van de koning van Napels.

Ik schreef hier al over in mijn bachelorscriptie en dit verhaal blijft tijdens mijn onderzoek steeds terugkomen. En als mijn verzoeken dan afgewezen worden door ‘hun’ bibliotheek (dat is niet echt zo hoor, het paleis en de collectie zijn in 1883 aan de staat verkocht) voel ik toch wat bitterschap opkomen, ik ben natuurlijk ten alle tijden loyaal aan het ‘Van Wittel/Vanvitelli-kamp’ 😉 Dit natuurlijk met een dikke vette knipoog, maar het is soms heerlijk even lekker ongenuanceerd te zijn tussen alle onderbouwde redeneringen en gedegen onderzoeksresultaten door!

De “Vite” van Lione Pascoli

Lange dagen in de Hertziana en nog steeds bezig met Cornelis Meijer maar inmiddels ook met Lione Pascoli.

Lionel Pascoli (1674-1744) schreef een van de vroegste biografieën van Caspar van Wittel  en zijn levensbeschrijving van Caspar geldt nog steeds als de meest gedetailleerde en meest geïnformeerde. Pascoli beschreef meerdere kunstenaarslevens die werden gepubliceerd vanaf 1730: Vite de’ pittori, scultori, ed architetti moderni, volume I werd uitgegeven in 1730, volume II in 1736 en daar tussendoor in 1732 kwam Vite de’ pittori, scultori, ed architetti perugini uit. Hij was bezig met een volgend deel met levensbeschrijvingen over (toentertijd) contemporaine kunstenaars, waaronder dat van Caspar, maar dit werd nooit uitgegeven. Het originele manuscript hiervoor, dat door Pascoli zelf met de hand geschreven is, bevindt zich in de Biblioteca Comunale “Augusta” in Perugia. De biografie van Van Wittel telt in totaal 21 pagina’s en bestaat uit twee delen. Het eerste deel beslaat zestien (handgeschreven) pagina’s, de tweede vijf pagina’s. Pascoli beschrijft eigenlijk twee keer Caspars leven, de tweede versie is een soort samenvatting van de eerste plus wat extra details. Uiteindelijk werd het manuscript van Pascoli toch nog in gedrukte vorm uitgegeven in 1981 en de levensbeschrijving van Caspar hierin werd geredigeerd door Giuliano Briganti (die de gezaghebbende monografie over Caspar heeft geschreven).

Nu is het zo dat Pascoli de “levens” van de voor hem contemporaine kunstenaars grotendeels heeft geschreven tussen 1730 en 1736. Caspars levensbeschrijving is door Pascoli  waarschijnlijk opgeschreven vlak voor het overlijden van de schilder. Hij vertelt namelijk ergens over een reis die Van Wittel maakt naar Urbino met Luigi die dan 18 jaar is en schrijft vervolgens dat Luigi op dat moment 34 jaar is. Luigi werd geboren op 12 mei 1700, wat zou betekenen dat Pascoli (in ieder geval) dit stuk schreef tussen mei 1734 en mei 1735. Pascoli was bevriend met Luigi dus we kunnen er wel van uitgaan dat hij wist hoe oud Luigi op enig gegeven moment was. En omdat Pascoli zowel een tijdgenoot was van Caspar als hem dus ook persoonlijk kende, mogen we toch wel zeggen dat de kans groot is dat veel details in Caspars levensbeschrijving zoals die door Pascoli werden beschreven waar zullen zijn.

Veel onderzoekswerk zit ‘m vaak in het uitzoeken van dit soort dingen. Want je kunt wel ergens lezen dat iets zo of zo gebeurd is, maar wat voor bron is dat dan, waar is deze bron op gebaseerd, kun je op die bron vertrouwen en waarom wel of niet, zijn er meer bronnen die hetzelfde zeggen, enzovoorts. Als ik dat van iemand er in ‘geramd’ heb gekregen tijdens de studie, dan wel van Arno Witte, mijn scriptiebegeleider. Leuk als je bedenkt dat hij in diezelfde Hertziana ook hard aan het werk is!

Lione_pascoli_pinacoteca_di_deruta

 

Cornelis Meijer & de Tiber – dl 2

Gisteren heb ik in de Hertziana koffie gedronken met dè Van Wittel-expert dottoressa Laura Laureati. Ze is zelf met een artikel bezig over een aantal Van Wittel-schilderijen in de Colonna-collectie die nog nooit beschreven zijn (herkomst e.d.) en ze wist me natuurijk weer allerlei interessante dingen te vertellen. Daardoor ben ik een beetje van mijn onderzoekspad afgedwaald want ik was begonnen aan voorlopers en navolgers van Caspar maar ben nu weer teruggaan naar extra onderzoek naar Luigi (zie mijn activiteiten van gisteren) en Cornelis Meijer. Schijnbaar is er de laatste jaren namelijk meer onderzoek gedaan naar de Nederlandse ingenieur en zijn ervaringen in Italië.

 

meyer

En dat bleek inderdaad het geval. Want toen Meijer vanuit Amsterdam naar Italië vertrok, blijkt hij helemaal niet voor het jubeljaar 1675 naar Rome te zijn gereisd zoals hij later aan zijn vrienden in Rome vertelde, maar naar Venetië! En dat was schijnbaar ook echt wel de bedoeling want voor zijn vertrek had de slimmerik een pamflet laten drukken met allerhande technische hydraulische constructies om zijn kwaliteiten te kunnen aanprijzen in de Venetiaanse republiek. Ze hadden daar natuurlijk net als in de Nederlanden verschillende soorten problemen met water, dat havens dicht slibden of dat moerassig land moest worden drooggelegd, enzovoorts. En geloof het of niet, de Venetiaanse overheid was best onder de indruk van alle ideeën van Meijer en gaven hem de supervisie over een project om de haven uit te dreggen. Sterker nog, ze gaven hem de titel van ingenieur!

Nog voor hij aan zijn havenproject was begonnen, vertrok Meijer naar Rome met de belofte om snel naar Venetië terug te komen. Dat pakte echter anders uit dan gedacht want in Rome kwam hij via de Venetiaanse ambassadeur bij de Heilige Stoel in het Vaticaan terecht waar hij in al zijn wijsneuzigheid de toenmalige paus wist te vertellen dat hij een project ten noorden van de stad, bij de Via Flaminia, veel beter en goedkoper kon uitvoeren dan degene die op dat moment over dat project de leiding had. En ja hoor, ook in dit geval kreeg Meijer de opdracht en ging hij aan de slag. Dit project wist hij op zich tot een goed einde te brengen, al kwam hij hiermee vervolgens wel in een patstelling met de paus terecht. Aangezien Meijer voor het Via Flaminia-project de werkzaamheden uit eigen zak had voorgeschoten, zag hij zich gedwongen een tweede opdracht van de paus te aanvaarden om zo alsnog uit de voorgeschoten kosten te komen. En laat dat nou net het Tiber-project zijn!

Daar valt ook weer meer over te vertellen, maar dat bewaar ik nog even totdat ik dat helemaal op een rijtje heb. Voor nu nog een korte toevoeging aan het eerdere want zoals gezegd werd Meijer dus geboren in Amsterdam maar ik nog niet had verteld was dat hij ter wereld kwam binnen een Luthers milieu. Wat weer niet helemaal strookt met zijn eigen woorden tegen vrienden in Rome dat hij voor het jubeljaar naar de Heilige Stad was gekomen. Maar laat nu toch onze grote vriend Hoogewerff in zijn boek over de parochiale archieven te hebben genoteerd dat hij zich (kennelijk) heeft bekeerd toen hij in Rome woonde! In 1683 staat hij nog te boek als “luterano” maar twee jaar later staat in het parochieboek “comunicato”, dus hij was toen inmiddels katholiek geworden. Wat grappig toch dat alle lijntjes aan het eind altijd weer samen komen 🙂

Lettere di Luigi

Vanaf vandaag is mijn dagelijkse heenreis niet richting het archief maar naar de Bibliotheca Hertziana. Ik geef toe, het is niet makkelijk om er binnen te komen en het hangt van regeltjes aan elkaar, maar het is dan ook wel echt een top-bibliotheek! Je krijgt een eigen plek met eigen wifi-code, aansluiting voor je oplader en leeslamp, het is er licht, heerlijk koel (altijd voor de zekerheid een shawl mee in de tas ook al is het 37 graden buiten) en het heeft echt ALLES op het gebied van kunstgeschiedenis. Een hele plank vol met Caspar van Wittel en Luigi Vanvitelli (die braaf naast elkaar staan onder de kop Ca-VAN), hoe fijn is dat!

Ik ben maar eens begonnen met een staartje van vorige week, ik moest nog een referentie opzoeken inzake Caspars leeftijd in een brief van zijn zoon Luigi aan diens broer Urbano (de tweede zoon van Caspar). Luigi werd in 1751 door de toenmalige koning van Napels, Karel van Bourbon, gevraagd een ontwerp te maken voor een paleis dat Versailles moest evenaren. Hij kreeg de opdracht en bracht vanaf dat moment het grootste deel van zijn tijd door in Napels en later Caserta, waar het paleis werd gebouwd. In deze periode schreef hij veel brieven en met name legio aan zijn broer Urbano die ondertussen de familiezaken behartigde in Rome. Praktisch al deze brieven zijn door Franco Strazzullo, een Napolitaanse historicus, bij elkaar gebracht en van een korte uitleg voorzien in drie zoals dat heet ‘kloeke’ bundels. En daarmee bedoel ik drie boeken van elk zo’n 800 pagina’s, niet de dunste boekjes in de kast dus. De brieven zijn soms wat moeilijk leesbaar door het achttiende-eeuwse Italiaans maar de grote lijnen haal ik er wel zo’n beetje uit.

Luigi was niet altijd even gelukkig in Napels/Caserta. Hij had in Rome bij zijn werkzaamheden daar voor de bouwfabriek van de Sint Pieter vrienden gemaakt, maar ook veel tegenstand ondervonden, vooral vanuit het zogenaamde ‘Toscaanse kamp’. Bij een controverse rondom scheuren in de koepel van de Sint Pieter, waren de mensen met een Florentijnse achtergond recht tegenover Vanvitelli en de zijnen komen te staan. Dit omdat de Florentijnen ‘hun’ Michelangelo natuurlijk tot in den treure verdedigden, het kon toch niet zo zijn dat het werk van Michelangelo de tijd niet zou kunnen weerstaan of dat de grote meester überhaupt fouten gemaakt kon hebben! Beide groepen voerden openlijk campagne voor hun eigen overtuigingen dus dat was uitgemond in een behoorlijke vete. Helaas voor Luigi nam hij deze rivaliteit mee naar Napels waar zijn voornaamste concurrent de Toscaanse architect Ferdinando Fuga was. Beide architecten hadden een goede staat van dienst en dongen naar de gunsten van Karel van Bourbon. Het was de koninklijke macht die de dienst uitmaakte in Napels, maar net als in Rome waar wisseling van de paus ook een directe wijziging in machtsblokken tot gevolg had, waren er hier allerlei hofintriges die het Luigi niet altijd makkelijk maakten. Gelukkig stond hij op goede voet met de koning en zijn vrouw, die zijn ontwerpen mooi vonden en hem prefereerden boven Fuga, die de opdracht kreeg voor een armenhuis in Napels. Karel van Bourbon werd echter in 1759 teruggeroepen naar Spanje omdat zijn halfbroer overleed en hij de volgende was in de lijn van troonsopvolging. Hierna kreeg Luigi het een stuk moeilijker. De nieuwe koning Ferdinand IV was erg jong, niet geïnteresseerd in de koninklijke architect en Fuga’s promotor Tanucci kreeg het als regent voor het zeggen. Naast alle konkelarij van de ‘hofkliek’ was Luigi de eerste jaren ook alleen, zijn familie woonde nog in Rome. Hij had het bijna te druk om zijn vrouw en kinderen te missen maar was wel erg van slag toen een van zijn dochters overleed en hij zo ver van huis was. Toen eenmaal zeker was dat hij definitief als hofarchitect was aangesteld (wat behoorlijk lang duurde) kwam een deel van zijn familie over. De opleiding van zijn zoons was echter wel zo belangrijk voor hem dat zij lange tijd hiervoor in Rome bij hun oom Urbano en tante Petronilla in huis bleven wonen.

Omdat Luigi zoveel brieven schreef zijn alle ontwikkelingen in zijn leven praktisch op voet te volgen, heel interessant om te lezen. Soms gaat het over hele grote dingen als overlijden van vrienden of familie maar soms ook over hele dagelijkse dingen. Zo las ik vandaag ergens dat hij voor de ceremonie van de eerste steenlegging van het paleis in Napels een blauwe mantel liet maken. Grappig om te lezen want op de schildering die gemaakt is van de gelegenheid (te zien op het plafond van de troonzaal van Caserta) heeft de architect (net links van het midden, met het ontwerp in zijn hand) toch duidelijk een bruine mantel aan!

Cerimonia_della_posa_della_prima_pietra_del_Palazzo_Reale_di_Caserta

Lieven Cruyl

Zoals ik vrijdag vertelde, ben ik inmiddels bezig aan het volgende onderdeel van mijn onderzoek: voorlopers en directe volgers van Caspar van Wittel. Een van de vele namen die ik hierbij tegenkom is die van Lieven Cruyl, in de Italiaanse literatuur vaak gespeld als Lievin Cruyl. (We kwamen zijn naam gisteren ook al tegen als maker van een van de plattegronden met de Piazza del Popolo links op de kaart.)

Cruyl werd in 1634 in Gent geboren en is daar ook gestorven, ergens voor 1720. Hij was een ontwerper en graveur maar ook een architect en bovendien een priester. Hij studeerde theologie en architectuur in Leuven maar verbleef lange tijd in Parijs en in Italië. Hier maakte hij veel topografische stadsgezichten, waarmee hij een grote bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van stadsgezichten of vedute. Hij produceerde een groot aantal tekeningen en grafische werken, waaronder ook veel van de bezienswaardigheden in Rome. Veel van deze maakte hij rond 1660-1670 dus nog voor Caspar in de stad arriveerde. In zijn tekeningen gaf hij behoorlijk precies weer wat hij zag en vaak met een panoramische blik en hierin was hij dus echt een directe voorloper van Caspar en zijn werk.

d5450cb819607b471a1cf1dc82f76f2605_lieven_cruyl_-_piazza_colonna__looking_toward_the_chigi_palace_-_1665-14457A96083019FB70F

Het wordt ook wel gezegd dat hij de stad soms te idealistisch weergaf, zijn afbeeldingen zouden als propaganda zijn gebruikt door paus Alexander VII. De visie van deze paus op de stad was nogal gekleurd, hij vond dat de waardigheid van Rome verhoogd moest worden (en daarmee natuurijk ook die van hemzelf als hoofd van de katholiek kerk) en ontplooide dus nogal wat bouwactiviteiten in de stad. Hij verbeterde de doorstroming van het verkeer (door verbetering van het stratenpatroon en het oplossen van verkeersproblemen) maar liet ook gebouwen restaureren en de stad verfraaien. Hij wilde brede, open straten en mooie, grote pleinen om zo een ideale zeventiende eeuwse stad te creëren. Dat kun je inderdaad ook terugzien in Cruyls tekeningen van de stad, ze zijn (in mijn ogen dan) eerder een ideaalbeeld dan een weergave van de moderne levende stad zoals Caspar dat deed.

Over de invloed van Cruyl op het werk van Casper schrijft An Zwollo in haar boek over Hollandse en Vlaamse veduteschilders in Rome uit 1975: “De voorliefde voor sterke verkorten, vaak gezien vanuit een vogelperspectief, de miniatuurachtige gedetailleerde uitvoering op perkament en de uiterst kleine figuurtjes, die het werk van Lieven Cruyl kenmerken, vindt men in de vroege tekeningen van Caspar van Wittel terug.”

Tot slot een leuke vergelijking, onderstaand een tekening van Cruyl en een tekening van Caspar van Campidoglio. Ik ben benieuwd naar wat jullie van de verschillen vinden!

lieven_cruyl_view_of_the_capitol_with_the_church_of_santa_maria_aracoe_d5698884gVeduta-del-Campidoglio-e-dellAracoeli

Nolli

Gisteren plaatste ik bij het stukje over de Ponte Sisto een uitsnede van de Nolli-plattegrond en vandaag iets meer over deze kaart en de maker.

Het beroemde Nolli-plan heet officieel “Pianta Granda di Roma” en werd dus zoals gezegd gemaakt door Giambattista (of Giovanni Battista) Nolli (1701-1756), een Italiaanse architect en landmeter. Nolli was geboren in Como, maar verhuisde naar Rome waar hij werk kreeg via de hooggeplaatste families Albani en Corsini.

Nolli begon met werken aan de plattegrond in 1736 en graveerde de kaart uiteindelijk in 1748. De plattegrond geeft Rome weer in de eerste helft van de achttiende eeuw en is gemaakt op verzoek van paus Benedict XIV die graag een overzicht van Rome wilde hebben om alle 14 “rioni” (districten) af te kunnen bakenen. Het oorspronkelijke werk van Nolli bestaat uit 12 kopergravures die bij elkaar een omvang hebben van 176 x 208 centimeter. Het is een ongelooflijk gedetailleerde plattegrond, werkelijk alles staat er op en het schijnt een behoorlijk accuraat beeld te geven van het Rome van toen. 

Er waren al eerder plattegronden gemaakt van Rome, zoals die van Antonio Tempesta uit 1642:

1652_Merian_Panoramic_View_or_Map_of_Rome,_Italy_-_Geographicus_-_Roma-merian-1642

Of die van Lieven Cruyl uit 1665:

cruyl 1665

Nolli deed echter iets heel vernieuwends: hij heroriënteerde de stadsplattegrond van oost naar noord. Voor de Nolli-map zie je steeds links in de beeld de Piazza del Popolo, goed herkenbaar aan de drie straten die er naar toe lopen: de Via di Ripetta, de Via del Corso en de Via del Babuino. Op de Nolli-plattegrond zie je de Piazza del Popolo in het noorden, waarmee hij dus in feite de topografie van de stad bepaalde aan de hand van het kompas. Voor ons nu heel normaal maar voor toen heel baanbrekend!

Daarnaast is de Nolli-plattegrond heel gedetailleerd en dus voor mij vaak handig om te gebruiken als ik wil kijken naar de straten of buurten waar Caspar gewoond heeft. Zo zie je maar weer, met oude parochieboeken en plattegronden kom je een heel eind 😉

Ik gebruik hiervoor vaak de interactieve plattegrond van Nolli via CIPRIO (Catalogo illustrato delle Piante di Roma). Voor degenen die het interessant vinden, onderstaand de link:

http://db.biblhertz.it/cipro/CIPROnolliframesetengopen.htm

 

 

Ponte Sisto

Na wederom een pittig ochtendje archiefwerk, ben ik vanmiddag aan het volgende punt op mijn lijstje begonnen: vedute als genre en de voorlopers en navolgers van Caspar van Wittel in dit genre. Als eerste ben ik maar eens in de bibliotheek van het KNIR gaan zoeken naar titels over het onderwerp en afbeeldingen gaan bekijken. Twee publicaties die ik hierbij tegenkwam waren over vedute van antieke bruggen in Rome en vedute van barokke fonteinen in Rome.

voor blog 14-07

Een goede aanleiding om het te hebben over de brug op de tekening van Caspar op de thuispagina van mijn blog: de Ponte Sisto.

In 12 voor Christus bouwde Vipsanio Agrippa (schoonzoon van Augustus) op deze plek een houten brug om de linkeroever van Trastevere te verbinden met de rechteroever van wat nu het stadscentrum is. De “brug van Agrippa” wordt als zodanig in een inscriptie uit de tijd van Tiberius genoemd (14 – 37 voor Christus) maar werd in het echt de Ponte Aurelio genoemd (omdat het naar de Aureliaanse Poort leidde) of de Ponte Gianicolense (omdat het naar de Janiculum-heuvel leidde). In 147 na Christus werd de brug onder keizer Antonino Pio herbouwd en heette vervolgens de Ponte Antonino. Vervolgens werd de brug werd in 366-367 door Valentinianus gerestaureerd en voorzien van een triomfboog bij de ingang van de brug met bronzen standbeelden. Niet verbazingwekkend stond de brug vervolgens bekend onder de naam Pons Valentinianus. De brug werd ernstig beschadigd door overstromingen in de jaren 589 en 590 en stortte helemaal in elkaar na een grote watersnood in 792.

De huidige brug werd gebouwd in 1473-1479 onder paus Sixtus IV, van wie de tegenwoordige naam Ponte Sisto komt. Twee inscripties op de brug getuigen van het feit dat de brug in het jubeljaar 1475 feestelijk werd ingezegend: “…Sixtus IV, Pontifex Maximus, voor het gebruik van Romeinen en Pelgrims die aankomen voor het jubeljaar…” Beetje jammer alleen dat de brug vier jaar later pas daadwerkelijk gereed was!

Ponte Sisto is voornamelijk bekend door het “Occhiolone”, vrij vertaald het oog-gat. Dit werd door de Romeinen als een watermeter gebruikt: als de Tiber zo hoog stond dat het water door het oog liep, dreigde er een overstroming. En dat was geen loos dreigement, in 1598 liep de brug behoorlijke schade op door watersnood. Gelukkig werd de brug snel gerestaureerd door paus Clemens VIII in 1599. In 1870 was er wederom een grote overstroming, waarna werd voorgesteld de brug in zijn geheel te slopen en te herbouwen met bredere arcades. Uiteindelijk gebeurde dit toch niet en werd de brug alleen verbreed door het toevoegen van twee gietijzeren voetgangerspaden aan weerszijden van de brug. Deze werden weer verwijderd aan het einde van de twintigste eeuw toen de brug alleen nog toegankelijk werd gemaakt voor voetgangers, wat hij nu nog steeds is.

Onderstaand de Ponte Sisto aangegeven op een uitsnede van de Nolli-map van 1748 en op een prent van Vasi uit 1754:ponte sisto met pijl

ponte sisto vasi 1754

 

 

 

Puzzelen…

Met alle kennis die ik in de archieven heb weten te vergaren ben ik vandaag aan de slag gegaan om te proberen alle gegevens op een rijtje te krijgen. Wie, wanneer, wat, welke leeftijd, etc. Het is een ongelooflijke brij aan informatie die ik tracht helder te krijgen door enorme spreadsheets te maken met alle vergaarde info en vanuit welke bronnen.

Neem bijvoorbeeld alle verschillende in de literatuur genoemde geboortejaren van Caspar. Het gaat dan om minstens vijf verschillende jaren: 1647, 1653, 1656, 1658 en 1659. In eerste instantie ga ik dan kijken naar welke publicaties dit zijn, door wie geschreven, van wanneer ze zijn en op welke bronnen ze zich baseren. Dit kan nog wel eens een beetje lastig zijn omdat de een ook rustig naar de ander kan verwijzen of gewoon iets heeft overgenomen van een ander. De meest betrouwbare bronnen zijn vaak ofwel uit de tijd van Caspar zelf ofwel baseren zich op bronnen uit die tijd. Maar dan komt de volgende stap. Want welke van die bronnen, hoe contemporain ook, is geloofwaardiger en dus betrouwbaarder dan de ander? Moeten we de inscriptie op de grafsteen geloven of de vermeldingen in de parochieboeken? En als die niet met elkaar overeenkomen, welke is dan het meest solide? Want een grafsteen is wel zo officieel als je maar vinden kunt maar is maar een enkel object. De parochieboeken hebben ieder jaar een vermelding maar door wie werden die geschreven? Hoe getrouw de waarheid was die kapelaan of pastoor bij het noteren van de leeftijden van de bewoners? En de parochieboeken met de bevolkingslijsten werden ieder jaar met Pasen opgesteld dus het kan ook best het geval zijn dat er in een jaar ineens iemand niet ouder is geworden of twee jaar ouder is geworden. Dus dan moet ik ook nog nagaan in welk jaar op welke datum Pasen viel. Kortom en dus: een grote puzzel!

De spreadsheets helpen me om iedere bron te herleiden en benoemen maar ook om te rekenen hoe de verschillende bronnen uitkomen op verschillende geboortejaren. Als je bijvoorbeeld de tekst op de grafsteen neemt die zegt dat Caspar 83 jaar oud was toen hij stierf in 1736, dan reken ik in mijn spreadsheet uit dat zijn geboortejaar dan 1653 moet zijn geweest. Dit is ook de redenering die Briganti aanhield, zoals ik al eerder vertelde ging hij er van uit dat de tekst op de grafsteen de meest betrouwbare bron was. Ik was tot nu toe geneigd hem hierin te volgen, hij en Morelli (een andere bron) hebben beide veel archiefwerk verricht. Ik vind echter dat ik een aantal stukken toch echt met eigen ogen gezien moet hebben voor ik definitief de redenering van Briganti en Morelli volg dan wel mijn eigen conclusies kan (en wil) trekken. Ik heb het al die tijd als een soort los eindje in mijn hoofd gehad en wil deze maand proberen hier definitief voor mezelf uit te komen, met welke uitkomst dan ook.

Dat betekent dus inderdaad dat ik dan ook het werk er voor moet verrichten, wat letterlijk inhoudt dat je hele dagen in archieven zit en zoals vandaag een hele dag in de bibliotheek aan het puzzelen bent met de verschillende bronnen. Het archief is morgen voor de laatste keer open voordat het voor de zomerperiode sluit en ik heb zojuist besloten om toch nog een laatste poging te doen om een paar lacunes op te vullen. Zo zou ik graag van de laatste twee jaren van Caspar de “Stati d’anime” nog willen vinden om te kijken of die consistent zijn met die van de jaren ervoor. Dat zijn namelijk verschillende parochies omdat Caspar en zijn vrouw een jaar voor hun dood nog zijn verhuisd.

Morgen dus weer vroeg op en vanavond dan ook maar weer een beetje bijtijds naar mijn bed 😉

Helaas levert dit hele verhaal geen spannende plaatjes of mooie foto’s op dus omdat het archief vlakbij de Sint Jan van Lateranen zit een veduta van Caspar met de “San Giovanni in Laterano” (het archief zit als je naar de veduta kijkt, rechts om de hoek).