Palazzo Odescalchi

Na het verhaaltje over Livio Odescalchi gisteren, vandaag wat meer over Palazzo Odescalchi aan de Piazza Santi Apostoli.

Volgens bronnen stond er op deze plek al in de late 14eeeuw een groot gebouw. Halverwege de 16eeeuw wordt over een gebouw geschreven dat toebehoort aan kardinaal Girolamo Colonna, zoon van de beroemde Vittoria Colonna. Dat gebouw werd door de jaren heen steeds verder uitgebreid en in 1622 verkocht door Pier Francesco Colonna (samen met landgoederen in Zagarolo, Colonna en Gallicano) aan kardinaal Ludovico Ludovisi, een neef van de toenmalige paus Gregorius XV. Ludoviso liet het paleis verder uitbouwen en vertrouwde dit werk toe aan Carlo Maderno. Deze bouwde een grote binnenplaats met twee rijen bogen aan twee zijden en een grote trap. 

In 1623 kreeg Colonna het gebouw terug in zijn bezit, die het in 1655 verhuurde aan de familie Chigi, toen paus Alexander VII werd gekozen. In 1664 was kardinaal Flavio Chigi de laatst overgebleven huurder (zijn familieleden hadden in 1659 een nieuw onderkomen aangeschaft in Piazza Colonna en waren daar inmiddels naar toe verhuisd) en hij kocht het paleis voor zichzelf aan. Hij benoemde Gian Lorenzo Bernini tot zijn architect om het gebouw te renoveren. De verbouwing duurde van circa 1664 tot en met 1668 en hierbij maakte Bernini gebruik van veel assistenten, waaronder Carlo Fontana. De renovatie begon met het plaatsen van een façade om de bestaande onderdelen van het gebouw samen te voegen. Deze uit drie delen bestaande gevel zwelt licht in het midden, heeft gigantische pilasters en wordt bekroond door een balustrade met beelden, met aan de rechterzijde een grote tuin. 

Het paleis bevatte grote aantallen door kardinaal Chigi verzamelde kunstwerken en was beroemd om zijn prachtige logeerkamer met een bed ontworpen door Johann Paul Schor (1615-1674, Oostenrijks kunstenaar, de meest vooraanstaande ontwerper van decoratieve kunsten in het barokke Rome) en om een schilderij van Diana en Endymion van Giovan Battista Gaulli, ook bekendals (Il) Baciccio (1639-1709, Italiaanse kunstschilder, trok in 1657 naar Rome, werd leerling van Bernini en werd later een van de meest vooraanstaande frescoschilders van Rome). Dit schilderij uit circa 1688 is nu te vinden aan het plafond van de “Gouden Salon” van Palazzo Chigi in Piazza Colonna.

In 1667 kocht de kardinaal een gebouw aan de Via del Corso om zijn residentie nog verder te vergroten.

Nadat Chigi in 1693 overleed, werd het paleis gehuurd door Livio Odescalchi, neef van paus Innocentius XI (zie mijn blog van gisteren), die zijn imposante kunstcollectie hier naar toe verhuisde, inclusief de beroemde collectie van Christina van Zweden, aangekocht in 1692. Zoals ik al eerder schreef bood Odescalchi van 1699 tot en met 1702 in het paleis onderdak aan Maria Casimira, de weduwe van de Poolse koning. Dit was voor haar erg handig omdat haar vader, kardinaal D’Archieti, het Palazzo Cibo bewoonde, nu het Palazzo Ruffo, dat toen verbonden was met Palazzo Odescalchi via een boog over de Vicolo del Piombo. Een grappige anekdote uit deze periode is dat de bedienden van de kardinaal om de vele muggen te doden grote branders met zwavel in de kamers plaatsten en de ramen sloten, waarmee ze er in slaagden niet alleen de muggen om te brengen, maar ook een deel van Odescalchi’s waardevolle meubels, schilderijen en behang te ruïneren! 

Hieronder plattegronden van Rome van Falda uit 1676 en Nolli uit 1748 met daarop Palazzo Odescalchi aan de Piazza Santi Apostoli:

Falda 1676
Nolli 1748

In 1745 werd het paleis verkocht aan de Odescalchi-familie en verder uitgebreid door Nicola Salvi. Volgens het informatiebordje bij het paleis werd hij hierbij geassisteerd door niemand minder dan.. Luigi Vanvitelli! Het gebouw werd vergroot ten nadele van de tuin en Salvi deed een aantal aanpassingen aan de gevel (hij voegde een toegangspoort toe, symmetrisch geplaatst ten opzichte van de zeventiende-eeuwse doorgang en de beelden op de balustrade werden verwijderd). Volgens het informatiebord buiten is het paleis nu nog steeds in het bezit van de prinsen Odescalchi.

Livio Odescalchi

Een van de belangrijke Romeinse opdrachtgevers van Van Wittel was Don Livio I Odescalchi (geboren 10 maart 1658 in Como, gestorven 8 september 1713 in Rome). Odescalchi was de zoon van Carlo Odescalchi (1607-1673) en Beatrice Cusani. Na het overlijden van zijn vader in 1670, kwam Livio onder de voogdij van zijn oom, kardinaal Benedetto Odescalchi. In december 1674 verliet hij Lombardije voor Rome, waar hij zijn opleiding voltooide onder strenge controle van de kardinaal. Deze werd in 1676 tot paus verkozen en nam de naam Innocentius XI aan. Omdat de paus een einde wilde maken aan het nepotisme dat in die tijd hoogtij vierde, maakte hij zijn neef bij zijn verkiezing tot paus geen kardinaal. In plaats daarvan echter schonk hij Livio zijn eigen persoonlijk fortuin (van ongeveer veertigduizend kronen!) en hielp hem in 1678 het hertogdom van Ceri te verwerven.

Ondanks de formele anti-nepotistische houding van zijn oom was hiermee de positie van Livio Odescalchi zodanig gevestigd dat hij zich kon wijden aan het herpositioneren van de familie. Hij zorgde ervoor dat zijn zus Giovanna in 1677 trouwde met Carlo Borromeo Arese, die deel uitmaakte van de hoogste Lombardische aristocratie. Na de overwinning in 1683 van de Heilige Liga tegen de Turken die Wenen hadden belegerd (een expeditie die Livio Odescalchi had helpen financieren), werd paus Innocentius XI (en daarmee de gehele familie Odescalchi) gezien als de nieuwe kampioen van het katholicisme.

Tijdens het pontificaat van zijn oom had Livio Odescalchi dus geen institutionele macht maar hij had een enorme invloed. Dit blijkt uit het feit dat hij na de dood van de paus in 1689 door het college van kardinalen benoemd werd tot generaal van de kerk (23 augustus 1689) en Leopold I hem prins van het Heilige Roomse Rijk maakte (29 augustus 1689) als beloning voor zijn loyaliteit aan de Habsburgse politiek. Leopold I schonk hem bovendien in 1697 het hertogdom van Sirmio en Sava, waardoor Odescalchi zichzelf en zijn erfgenamen “Altezza Serenissima, principe dell’Impero” mocht noemen (“Serene Hoogheid, Prins van het Keizerrijk”). Na de dood van Flavio Orsini (1620-1696) kocht Odescalchi de titel Hertog van Bracciano uit de Bracciano-tak van de Orsini-familie, samen met het beroemde kasteel (dat nog steeds in handen is van de familie).

De meest ambitieuze onderneming van Odescalchi was het zichzelf nomineren voor de verkiezing van de Poolse troonsopvolging in 1697, als opvolger van Johannes III Sobieski. Hij werd niet verkozen, maar hij bleef hechte banden houden met Polen want van 1699 tot 1702 verwelkomde hij in zijn paleis In Rome koningin Maria Casimira Sobieski, weduwe van Johannes III. In ditzelfde paleis aan de Piazza Ss. Apostoli (waarover in een later blog meer) stierf Odescalchi in 1713. Hij stierf zonder een directe erfgenaam, zijn titels en fortuin werden geërfd door zijn familielid Baldassare Erba-Odescalchi (1683-1746), de kleinzoon van Alessandro Erba en Lucrezia Odescalchi, de zus van Innocent XI en Carlo Odescalchi.

Terug naar de kunst en Van Wittel, van wie Odescalchi zoals gezegd een belangrijk opdrachtgever was. Odescalchi was een groot bewonderaar en verzamelaar van vedute en bezat bij zijn overlijden in 1713 meerdere vedute van Van Wittel. Hoeveel exact is niet helemaal duidelijk: volgens de ene bron bezat Livio Odeschalchi bij zijn overlijden 19 originele vedute plus 37 kopieën, een andere bron spreekt over 13 originele vedute en 34 kopieën die hij zou hebben nagelaten aan zijn achterneef. Een invenatrislijst uit 1713 maakt dan weer melding van 47 schilderijen van Van Wittel. In ieder geval zijn er in de administratie van Odescalchi betalingen terug te vinden voor tenminste tien vedute, gespecificeerd op onderwerp.

Odescalchi was geen typische Romeinse verzamelaar of vooraanstaand beschermheer van de kunsten, maar hij was wel een bereisd man met een open blik op Europa. Hij was geïnteresseerd in alchemie en astronomie, had zoals gezegd meegevochten tegen de Turkse legers om Wenen te bevrijden en onderhield relaties met allerlei hooggeplaatste Europese mensen als Maria Casimira, weduwe van de koning van Polen, en Christina van Zweden. In 1691 kocht hij een deel van de collectie van Christina van Zweden aan, waaronder een beroemde collectie munten en edelstenen. Uiteindelijk had Odescalchi bij zijn overlijden in 1713 een gigantische verzameling bij elkaar vergaard van meer dan 1.600 schilderijen, meer dan 10.000 tekeningen en daarnaast een grote collectie tapijten, antieke standbeelden, zuilen, munten en medailles, gravures en edelstenen. De inventaris van zijn nalatenschap, opgemaakt tussen 1 december 1713 en 6 april 1714 bestond uit maar liefst 800 pagina’s!

Een deel van de vedute ut de Odescalchi-collectie hangt nu in Palazzo Barberini, waar net een nieuw deel museumzalen is geopend waaronder een zaal met Van Wittels. Daar kom ik in een later blog nog wel op terug 🙂

Overigens is het portret van Livio Odescalchi boven dit stuk uit 1676 en van de hand van Jacob Ferdinand Voet (hangt tegenwoordig in het Walters Art Museum in Baltimore).

De ‘Virtuosi’

Na zijn verblijf in Palazzo Sacchetti (ongeveer van 1682 tot 1688) was Caspar van Wittel inmiddels een bekend schilder geworden. Zijn biograaf Pascoli beschrijft dat hij in die tijd schilderijen maakte voor veel adellijke families. Dat hij op dat moment al een bepaalde status had in Rome wordt ook duidelijk door het feit dat Van Wittel in 1686 lid werd van de Congregazione dei Virtuosi al Pantheon.

De volledige naam van dit genootschap was La Pontificia Insigne Accademia di Belle Arti e Lettere dei Virtuosi al Pantheon, maar ze werd ook wel de Compagnia of Congregazione di San Giuseppe di Terrasanta genoemd. Het was een gezelschap van schilders, beeldhouwers en architecten, stond onder pauselijk gezag en telde onder haar leden de meest vermaarde Romeinse kunstenaars (tot haar vroegste leden behoorden o.a. Taddeo Zuccari, Giacomo Barozzi da Vignola en Antonio da Sangallo de jongere). Het genootschap werd opgericht in 1542 als de ‘Congregatie van Sint-Jozef van het Heilig Land’ onder leiding van de cisterciënzer monnik Desiderio d’Adiutorio (1481-1546), canon van de kerk van het Pantheon. Deze D’Adiutorio was namelijk naar Palestina gereisd en had daar vandaan ‘terra santa’ meegenomen naar Rome. Hij deponeerde de heilige aarde in een ruimte van het Pantheon die voorheen niet in gebruik was maar waar hij nu een nieuwe kapel van maakte en waar hij de aarde in het altaar plaatste. Hij richtte de broederschap op om te garanderen dat de heilige aarde op deze manier bewaard bleef.

Op 15 oktober 1542, vrijwel direct na oprichting van het genootschapvan datzelfde jaar, werd het al erkend door de toenmalige paus, Paulus III (1468-1549). Hiermee is de Congregazione het oudste nog bestaande Romeinse artistieke genootschap (de Accademia di San Luca ontstond een halve eeuw later). De leden waren “virtuoso” oftewel deugdzaam, dat wilde zeggen dat ze geacht werden werken van barmhartigheid te verrichten voor andere leden (zieken bezoeken, stervenden begeleiden, etc.). Ze had dus niet zozeer instructie als uitgangspunt (zoals de verschillende accademie uit die tijd) maar had meer een spiritueel doel: de “uomini di grande ingegno” moesten vooral een goed voorbeeld zijn voor anderen. De Virtuosi kenden een grote mate van zelfstandigheid en kozen zelf de kardinaal die fungeerde als beschermheer van de Compagnia. Dit werd op een moderne democratische manier gedaan middels het plaatsen van zwarte (positieve) en witte (negatieve) ballen in een urn.

Vanaf de 17eeeuw vonden er vaak exposities plaats onder de portiek van het Pantheon. Bij deze tentoonstellingen kwamen regelmatig koninklijke en pauselijke gasten een kijkje nemen. Maria Casimira, koningin van Polen, woonde de tentoonstelling bij in het Heilig jaar 1700, paus Clemens XI de tentoonstelling van 1706 en de koningin van Engeland die van 1707. Wat zal dat een opmerkelijk gezicht zijn geweest, al die schilderijen etc. die geëxposeerd werden tussen de zuilen in het portiek van het Pantheon. Daar waar nu de toeristen in drommen staan te wachten om naar binnen te mogen! De deur van de congregatie is er dus nog steeds, deze is links in het portiek te vinden met de originele titel van het genootschap boven de deur.

We zijn weer ‘thuis’

Aangezien de periode van de tentoonstelling bijzonder druk was, heb ik na afloop even de tijd genomen maar zo langzamerhand wordt het toch wel weer eens tijd iets te schrijven! Helemaal omdat ik inmiddels weer ‘thuis’ ben, namelijk op het Nederlands Instituut in Rome. Hier doe ik als het even kan in de zomer een paar weken onderzoek.

Het KNIR (Koninklijk Nederlands Instituut Rome) is het oudste en grootste van alle Nederlandse wetenschappelijke instituten in het buitenland. Er worden hier lezingen en congressen gehouden, allerlei culturele en wetenschappelijke activiteiten georganiseerd en cursussen gegeven op verschillende niveaus binnen verschillende disciplines (ook interdisciplinair). Daarnaast biedt het instituut onderdak aan onderzoekers zoals ikzelf en stelt beurzen beschikbaar. Ik ben hier voor het eerst geweest in 2014 toen ik een beurs kreeg om hier onderzoek te doen voor mijn Masterscriptie. Sindsdien ben ik hier meerdere keren geweest in de zomer waardoor het hier nu een beetje voelt als thuiskomen 😉 De staf is heel prettig, kundig en helpt je waar ze kunnen. En er is een fijne bibliotheek om in te werken met een “kick-ass librarian”. Al met al is het weer superfijn om hier een tijdje te zijn!

De komende weken ga ik natuurlijk in de eerste plaats hard werken aan mijn onderzoek maar ik zal ook weer de tijd nemen om wat wetenswaardigheden rondom onze vriend Caspar van Wittel en zijn familie, vrienden, etc. met jullie te delen. Wordt vervolgd dus weer 🙂 🙂

Caspar’s schoonfamilie

Vandaag kwamen we bij een rondleiding in de tentoonstelling te spreken over Caspar’s schoonfamilie. Door zijn huwelijk op 18 februari 1697 met Anna Lorenzani (1669-1736) kwam Van Wittel terecht in een hechte schoonfamilie. Anna was de dochter van Giovanni Andrea Lorenzani (1637-1712), die oorspronkelijk “ottonaio” van beroep was. Een “ottonaio” is wat we in het Nederlands een geelgieter zouden noemen, een koperslager of kopergieter die met geelkoper of messing werkt. De vader van Anna had een huis plus bottega (een werkplaats annex winkel) in de Via dei Coronari ter hoogte van de San Salvatore in Lauro. De Via dei Coronari ligt ten noorden van Piazza Navona, zoals hieronder te zien op de uitsnede van de plattegrond van Rome van Falda uit 1648.

IMG_2873 kopie

Anna’s vader oefende zijn vak klaarblijkelijk met veel succes uit want niet alleen werkte hij voor de belangrijkste families van Rome, hij verdiende kennelijk ook voldoende om een grote collectie kunst, manuscripten en boeken te kunnen verzamelen. Alhoewel hij van huis uit een ambachtsman was, ontwikkelde hij zicht tot een verzamelaar en geletterd man met veel belangrijke connecties. NaamloosLorenzani schreef theatrale opera’s, drama’s, komedies, poëzie en verschillende stukken voor muziek (aria’s, oratoria, sonates, etc.). Ook schreef hij theaterstukken die bij belangrijke gelegenheden werden opgevoerd als het huwelijk van de hertog van Bracciano Flavio Orsini (in 1675) of in het bijzijn van belangrijke Romeinse opdrachtgevers als Christina van Zweden (in 1685). Schijnbaar was Lorenzani een zeer gelovig en zeer bescheiden man, bronnen beschrijven hem als iemand die nooit op zoek was naar glorie of erkenning van zichzelf maar juist liever in de schaduw bleef van zijn beschermheren.

Giovanni Lorenzani was in 1659 getrouwd met Giovanna Petrucci en uit dit huwelijk werden maar liefst acht kinderen geboren. Een eerste zoon, Giovanni Antonio werd in 1661 geboren maar stierf negen maanden later. Daarna volgden er nog twee zonen, Lelio Francesco (1662-1671) en Giuseppe Anastasio (1664-1709). Daarna werden er drie dochters geboren, Anna (1669-1736), Maddalena (1671-1705). en Brigita (1675-?). Daarna volgden er nog een zoon, Felice (1678-1679) en een dochter, Teresa (1687).

Drie dochters trouwden met kunstenaars: Anna trouwde zoals gezegd met Van Wittel, Maddalena huwde schilder en graveur Antonio Colli (1670-?) en Teresa trouwde met de muzikant en componist Carlo Flavio Lanciani (1661-1706). De familie Lorenzani was een hechte familie, het gezin Colli woonde naast de familie Lorenzani in de Via dei Coronari terwijl Teresa en Carlo Flavio tussen 1698 en 1699 vlakbij Anna en Caspar woonden in de Via della Purificazione.

Zoals gezegd was Lorenzani een geletterd man geworden en mede door toedoen van zijn broer Paolo Lorenzani (1640-1713) en zijn schoonzoon Lanciani werd hij ook opgenomen in het Romeinse muzikale circuit. Lanciani componeerde zelfs muziek bij zijn schoonvaders poëzie. Afgezien van de vele gelegenheden die Lorenzani bijwoonde als auteur of als toeschouwer, opende hij ook de deuren van zijn eigen huis waar hij veel avonden organiseerde voor een kring van theater- en muziekliefhebbers. Van deze bijeenkomsten was prins Lelio Orsini een frequent bezoeker (Lelio Orsini was tevens peetvader van de tweede zoon van Lorenzani, Lelio Francesco).

Dat Caspar een goede band had met zijn schoonfamilie blijkt ook uit het feit dat zijn schoonmoeder na het overlijden van zijn schoonvader bij Caspar en Anna en hun gezin introk in de Via dei Cimatori. Lorenzani bereikte de respectabele leeftijd van 75 jaar en zijn vrouw was maar liefst 82 jaar oud bij haar overlijden in 1717. Caspars hoge leeftijd heeft misschien wel of niet in zijn eigen genen gezeten maar in ieder geval wel in die van zijn schoonfamilie 😉 😉

Stamboom(pje)

Vorig weekend hielden Albert Boersma en ik een lezing in Kunsthal KAdE over de sporen van het leven van Caspar van Wittel in Nederlandse en Romeinse archieven. Erg leuk om dit samen te kunnen doen want wij kennen elkaar al langer en hebben vaak resultaten van ons speurwerk (o.a. in de verschillende archieven) met elkaar gedeeld. Albert doet onderzoek naar Matthias Withoos, de leermeester van Caspar van Wittel. Hij heeft een stuk in de tentoonstellingscatalogus geschreven over de jeugd van Caspar en zijn ouders en heeft daarvoor ook onderzoek gedaan naar het woonhuis van Caspars ouders. Zo kwam hij er achter waar het huis stond en hoe groot het ongeveer geweest moet zijn. De ontdekkingen die hij deed zijn natuurlijk heel verhelderend voor mijn eigen onderzoek. En andersom was Albert er bij toen ik ooit in het Westfries Museum in Hoorn het schilderij van Vroom zag en direct in de gaten had dat de jonge Caspar dit gezien moet hebben. Dat het werk van Vroom nu in de tentoonstelling hangt en Albert in zijn essay in de catalogus meer informatie geeft over de jeugd van Caspar, geeft wel aan dat er nog steeds veel te ontdekken valt!

In de lezing vertelden Albert en ik o.a. over wat wij zoals tegenkwamen in de archieven en daarbij had ik een kort overzichtje gemaakt van een paar woonadressen van Caspar en zijn familie plus een klein stamboompje om kort iets meer duiding te geven over de zaken die ik tegen ben gekomen in de archieven in Rome. En omdat ik nogal eens vragen krijg over hoeveel kinderen Caspar heeft gekregen wilde ik dit (sterk vereenvoudigde) stamboompje ook bij deze delen op dit blog. Caspar en zijn vrouw Anna kregen in totaal zes kinderen, waarvan er helaas drie kort na de geboorte zijn overleden. De andere drie zijn de ons inmiddels welbekende zoon Luigi die architect werd, zijn jongere broer Urbano en hun jongere (en enige) zus Petronilla. Ik heb het al vaker gemeld maar de familieband was erg sterk, in de jaren dat Luigi later in Napels woonde schreef hij bijna iedere dag een brief aan zijn broer of zus. Zijn broer Urbano hield in de tijd van Luigi’s verblijf in Napels de zaken draaiende in Rome terwijl Petronilla lang voor Luigi’s kinderen zorgde die in eerste instantie in Rome waren gebleven bij hun moeder. Alhoewel gebruikelijk in die periode wordt deze sterke familieband in Italië nog wel eens gezien als een heel Nederlandse eigenschap, grappig om daar nu op die manier naar te kijken!