Villa Farnesina

Gisteren had ik het over de Santa Cecilia in Trastevere als een van de gebouwen die nog op mijn verlanglijstje stonden om te bezoeken. Een ander gebouw is de Villa Farnesina. Deze villa heeft niets van doen met de Van Wittel-familie maar is de moeite van het bezichtigen meer dan waard voor iedereen die naar Rome komt/gaat.

De villa is gebouwd tussen 1506 en 1512 door de Sienese architect Baldassare Tommaso Peruzzi in opdracht van Agostino Chigi (1466-1520). Deze laatste was een hele rijke banker en handelaar, afkomstig uit Siena. Het verhaal gaat dat hij zo rijk was dat hij een keer tijdens een diner voor allerlei hooggeplaatste gasten, het dinerservies in de Tiber wierp. Niet zo bijzonder zou je denken, ware het niet dat het servies gemaakt was van puur goud! Wat de gasten natuurlijk niet wisten is dat Chigi zijn bedienden de opdracht gaf ’s nachts alle borden en schalen weer op te duiken uit de Tiber. Maar dit geeft een goed idee van hoe Chigi met zijn rijkdom te koop liep.

Dit lijkt een niet al te leuke eigenschap maar de andere kant van het verhaal is dan wel weer dat Chigi ook de beste kunstenaars in huis haalde om zijn villa te decoreren. En dat heeft zijn vruchten afgeworpen. De verschillende zalen zijn echt prachtig gedecoreerd met allerlei fresco’s. En dat niet alleen, per zaal vormen ze een totaalprogramma waar alle afbeeldingen in hetzelfde verhaal of thema passen, echt heel mooi.

De eerste zaal op de begane grond is de Loggia van Galatea, dit was vroeger een open loggia. Deze zaal is ook direct de bekendste omdat hier Rafaëls fresco van de nimf Galatea (gemaakt circa 1513) te vinden is. Galatea reist over de oceaan in een schelp, getrokken door twee dolfijnen en omringd door cupido’s. Op het plafond zijn de stand van de sterren en planeten geschilderd op het moment van de geboorte van Agostino Chigi, om zo te laten zien dat hij voorbestemd was voor grootse daden.

De volgende zaal is de Loggia van Cupido en Psyche. Op het plafond zijn twee grote fresco’s die het huwelijk van Eros & Psyche en de vergadering van de goden weergeven. In de lunetten wordt het verhaal verteld van Eros en Psyche en de tegenwerking van Venus, die jaloers was op Psyche en dus alle middelen inzette om het huwelijk tegen te houden. Op de ribben van de gewelven zijn guirlandes afgebeeld vol met vruchten, groenten en bloemen. Het geheel zorgt er voor dat het net lijkt alsof je onder een zomerse pergola staat waarin alles bloeit en groeit.

Er valt nog meer te zien beneden maar dat moet iedereen maar zelf een keer gaan bekijken denk ik 😉 Via een prachtige trap kom je op de eerste verdieping terecht in de “Sala delle Prospettive”. Deze wordt zo genoemd vanwege de perspectivische schilderingen aan weerszijden in de zaal. De relatie tussen binnen en buiten vervaagt doordat Peruzzi gebruik maakte van trompe l’oeil-schilderingen waarop daadwerkelijke Romeinse bouwwerken te zien zijn. Tijdens de plundering van Rome in 1527 waren er in de villa Duitse ‘landsknechten’ gelegerd die teksten in de fresco’s hebben gekrast. Op de haard is een afbeelding te zien van de werkplaats (met haard) van de Romeinse god Vulcanus.

Net als op de begane grond is op deze etage veel meer te zien maar ik volsta met een laatste plaatje van de voormalige slaapkamer van meneer Chigi. Hier is het huwelijk van Alexander de Grote met Roxane afgebeeld. Alle wanden van deze kamer zijn wederom beschilderd en dat terwijl er dus een gigantisch hemelbed in moet hebben gestaan. Beetje zonde van al dat prachtige frescowerk maar ja, wie het breed heeft, laat het breed hangen 😉

De villa heet tegenwoordig de Villa Farnesina omdat het in 1577 werd gekocht door kardinaal Alessandro Farnese om er met zijn gezin te gaan wonen. Via erfenissen kwam het gebouw in handen van Elisabetta Farnese die het in 1735 naliet aan haar zoon Karel, Koning van de Twee Siciliën. Vervolgens werd het de residentie van verschillende Napolitaanse diplomaten, daarna eigendom van de Spaanse ambassadeur en tenslotte werd de villa in 1927 gekocht door de Italiaanse staat. In 1944 werd het eigendom van de Accademia Nazionale dei Lincei, gelegen in het tegenover gelegen Palazzo Corsini. En waar kenden we ook alweer die Karel van? Natuurlijk! Hij was de opdrachtgever van Luigi voor het Paleis van Caserta! ††††††††††††††††Er is altijd wel een lijntje..

Santa Cecilia in Trastevere

De eerste dagen dat ik hier was ben ik direct de stad in gegaan om wat dingen te gaan bekijken die al een tijdje op mijn verlanglijstje stonden. Een daarvan was de basiliek van Santa Cecilia in Trastevere.

Sint Cecilia was (hoe kan het ook anders) een Romeinse martelares die volgens de verhalen ca. 230 na Christus de marteldood stierf op de plek waar nu de kerk staat. Ze kwam uit een voorname familie en zou al heel jong gedwongen zijn geweest om te trouwen met iemand die niet van het geloof was. Als ik het verhaal goed begrepen heb, wist ze hem te bekeren plus nog eens 300 anderen maar het liep, zoals het een goede martelares betaamt, natuurlijk wel slecht met haar af. Ze hebben eerst geprobeerd haar te verstikken maar dat lukte niet omdat ze werd gered door een engel. Vervolgens wilden ze haar hoofd afhakken maar na drie slagen leefde ze nog en mochten ze wettelijk gezien niet nog meer slagen toedienen. Ze lag drie dagen op de vloer van haar huis te sterven voordat ze uiteindelijk echt overleed. Ze is de patroonheilige van muzikanten, zangers en instrumentmakers maar dit is eigenlijk het gevolg van een niet helemaal goed geïnterpreteerde Latijnse tekst (die zegt dat ze zingend en begeleid door orgels op weg zou zijn gegaan naar haar huwelijksvoltrekking).

Goed, de basiliek dus.. Al in de vierde eeuw werd op de plek van Cecilia’s huis een eerste kerk gebouwd maar paus Paschalis I gaf in de 9e eeuw opdracht een nieuwe kerk te bouwen. Uit die tijd stamt ook het mozaïekwerk in de apsis. In de 13e eeuw werd de kerk versierd met fresco’s van Pietro Cavallini waarvan een deel nu nog te bezichtigen is in het aanpalende klooster (wel tegen betaling uiteraard 😉 ). Onder de kerk bevinden zich muren van de kerk uit de vierde eeuw en andere opgravingen, voornamelijk overblijfselen van een oude Romeinse leerlooierij (en ja natuurlijk zijn ook deze te bezichtigen, nadat je een non 5 euro hebt overhandigd). Op het plafond van het schip van de kerk is een groot fresco geschilderd door Sebastiano Conca (ca. 1725) van de glorie van Sint Cecilia.†

Maar waarom wilde ik er nu zo graag heen? Nou, dat is omdat in deze basiliek een kapel is, de Kapel van de Relikwieën, waar schilderingen te zien zijn van Luigi. Hè? Luigi is toch architect geworden? Jazeker! Maar hij werd in eerste instantie opgeleid door vader Caspar en heeft dus ook in zijn jonge jaren geschilderd. De naam van de kapel is afkomstig van de relikwieën die hier tot 1935 bewaard werden (deze werden gedoneerd aan het Vaticaan). Op het gewelf is een fresco met engelen die muziek maken en op de rechtermuur hangt een doek waarop is afgebeeld dat de engel verschijnt aan Sint Cecilia. Beide werken zijn van Luigi.

Helaas was het hek voor de kapel gesloten dus moest ik daar doorheen foto’s proberen te nemen wat niet erg ten goede komt aan de kwaliteit. Maar aangezien ze me ook dit jaar weer toegelaten hebben in de Hertziana-bibliotheek (met een spiksplinternieuw pasje, jawel! 🙂 ) heb ik even in een boek een beter plaatje opgezocht van het fresco het plafond:

En voor de leuk nog een pagina met een zwart-wit afbeelding van het doek plus voorbereidende schetsen:

Palazzo Odescalchi

Na het verhaaltje over Livio Odescalchi gisteren, vandaag wat meer over Palazzo Odescalchi aan de Piazza Santi Apostoli.

Volgens bronnen stond er op deze plek al in de late 14eeeuw een groot gebouw. Halverwege de 16eeeuw wordt over een gebouw geschreven dat toebehoort aan kardinaal Girolamo Colonna, zoon van de beroemde Vittoria Colonna. Dat gebouw werd door de jaren heen steeds verder uitgebreid en in 1622 verkocht door Pier Francesco Colonna (samen met landgoederen in Zagarolo, Colonna en Gallicano) aan kardinaal Ludovico Ludovisi, een neef van de toenmalige paus Gregorius XV. Ludoviso liet het paleis verder uitbouwen en vertrouwde dit werk toe aan Carlo Maderno. Deze bouwde een grote binnenplaats met twee rijen bogen aan twee zijden en een grote trap. 

In 1623 kreeg Colonna het gebouw terug in zijn bezit, die het in 1655 verhuurde aan de familie Chigi, toen paus Alexander VII werd gekozen. In 1664 was kardinaal Flavio Chigi de laatst overgebleven huurder (zijn familieleden hadden in 1659 een nieuw onderkomen aangeschaft in Piazza Colonna en waren daar inmiddels naar toe verhuisd) en hij kocht het paleis voor zichzelf aan. Hij benoemde Gian Lorenzo Bernini tot zijn architect om het gebouw te renoveren. De verbouwing duurde van circa 1664 tot en met 1668 en hierbij maakte Bernini gebruik van veel assistenten, waaronder Carlo Fontana. De renovatie begon met het plaatsen van een façade om de bestaande onderdelen van het gebouw samen te voegen. Deze uit drie delen bestaande gevel zwelt licht in het midden, heeft gigantische pilasters en wordt bekroond door een balustrade met beelden, met aan de rechterzijde een grote tuin. 

Het paleis bevatte grote aantallen door kardinaal Chigi verzamelde kunstwerken en was beroemd om zijn prachtige logeerkamer met een bed ontworpen door Johann Paul Schor (1615-1674, Oostenrijks kunstenaar, de meest vooraanstaande ontwerper van decoratieve kunsten in het barokke Rome) en om een schilderij van Diana en Endymion van Giovan Battista Gaulli, ook bekendals (Il) Baciccio (1639-1709, Italiaanse kunstschilder, trok in 1657 naar Rome, werd leerling van Bernini en werd later een van de meest vooraanstaande frescoschilders van Rome). Dit schilderij uit circa 1688 is nu te vinden aan het plafond van de “Gouden Salon” van Palazzo Chigi in Piazza Colonna.

In 1667 kocht de kardinaal een gebouw aan de Via del Corso om zijn residentie nog verder te vergroten.

Nadat Chigi in 1693 overleed, werd het paleis gehuurd door Livio Odescalchi, neef van paus Innocentius XI (zie mijn blog van gisteren), die zijn imposante kunstcollectie hier naar toe verhuisde, inclusief de beroemde collectie van Christina van Zweden, aangekocht in 1692. Zoals ik al eerder schreef bood Odescalchi van 1699 tot en met 1702 in het paleis onderdak aan Maria Casimira, de weduwe van de Poolse koning. Dit was voor haar erg handig omdat haar vader, kardinaal D’Archieti, het Palazzo Cibo bewoonde, nu het Palazzo Ruffo, dat toen verbonden was met Palazzo Odescalchi via een boog over de Vicolo del Piombo. Een grappige anekdote uit deze periode is dat de bedienden van de kardinaal om de vele muggen te doden grote branders met zwavel in de kamers plaatsten en de ramen sloten, waarmee ze er in slaagden niet alleen de muggen om te brengen, maar ook een deel van Odescalchi’s waardevolle meubels, schilderijen en behang te ruïneren! 

Hieronder plattegronden van Rome van Falda uit 1676 en Nolli uit 1748 met daarop Palazzo Odescalchi aan de Piazza Santi Apostoli:

Falda 1676
Nolli 1748

In 1745 werd het paleis verkocht aan de Odescalchi-familie en verder uitgebreid door Nicola Salvi. Volgens het informatiebordje bij het paleis werd hij hierbij geassisteerd door niemand minder dan.. Luigi Vanvitelli! Het gebouw werd vergroot ten nadele van de tuin en Salvi deed een aantal aanpassingen aan de gevel (hij voegde een toegangspoort toe, symmetrisch geplaatst ten opzichte van de zeventiende-eeuwse doorgang en de beelden op de balustrade werden verwijderd). Volgens het informatiebord buiten is het paleis nu nog steeds in het bezit van de prinsen Odescalchi.

Livio Odescalchi

Een van de belangrijke Romeinse opdrachtgevers van Van Wittel was Don Livio I Odescalchi (geboren 10 maart 1658 in Como, gestorven 8 september 1713 in Rome). Odescalchi was de zoon van Carlo Odescalchi (1607-1673) en Beatrice Cusani. Na het overlijden van zijn vader in 1670, kwam Livio onder de voogdij van zijn oom, kardinaal Benedetto Odescalchi. In december 1674 verliet hij Lombardije voor Rome, waar hij zijn opleiding voltooide onder strenge controle van de kardinaal. Deze werd in 1676 tot paus verkozen en nam de naam Innocentius XI aan. Omdat de paus een einde wilde maken aan het nepotisme dat in die tijd hoogtij vierde, maakte hij zijn neef bij zijn verkiezing tot paus geen kardinaal. In plaats daarvan echter schonk hij Livio zijn eigen persoonlijk fortuin (van ongeveer veertigduizend kronen!) en hielp hem in 1678 het hertogdom van Ceri te verwerven.

Ondanks de formele anti-nepotistische houding van zijn oom was hiermee de positie van Livio Odescalchi zodanig gevestigd dat hij zich kon wijden aan het herpositioneren van de familie. Hij zorgde ervoor dat zijn zus Giovanna in 1677 trouwde met Carlo Borromeo Arese, die deel uitmaakte van de hoogste Lombardische aristocratie. Na de overwinning in 1683 van de Heilige Liga tegen de Turken die Wenen hadden belegerd (een expeditie die Livio Odescalchi had helpen financieren), werd paus Innocentius XI (en daarmee de gehele familie Odescalchi) gezien als de nieuwe kampioen van het katholicisme.

Tijdens het pontificaat van zijn oom had Livio Odescalchi dus geen institutionele macht maar hij had een enorme invloed. Dit blijkt uit het feit dat hij na de dood van de paus in 1689 door het college van kardinalen benoemd werd tot generaal van de kerk (23 augustus 1689) en Leopold I hem prins van het Heilige Roomse Rijk maakte (29 augustus 1689) als beloning voor zijn loyaliteit aan de Habsburgse politiek. Leopold I schonk hem bovendien in 1697 het hertogdom van Sirmio en Sava, waardoor Odescalchi zichzelf en zijn erfgenamen “Altezza Serenissima, principe dell’Impero” mocht noemen (“Serene Hoogheid, Prins van het Keizerrijk”). Na de dood van Flavio Orsini (1620-1696) kocht Odescalchi de titel Hertog van Bracciano uit de Bracciano-tak van de Orsini-familie, samen met het beroemde kasteel (dat nog steeds in handen is van de familie).

De meest ambitieuze onderneming van Odescalchi was het zichzelf nomineren voor de verkiezing van de Poolse troonsopvolging in 1697, als opvolger van Johannes III Sobieski. Hij werd niet verkozen, maar hij bleef hechte banden houden met Polen want van 1699 tot 1702 verwelkomde hij in zijn paleis In Rome koningin Maria Casimira Sobieski, weduwe van Johannes III. In ditzelfde paleis aan de Piazza Ss. Apostoli (waarover in een later blog meer) stierf Odescalchi in 1713. Hij stierf zonder een directe erfgenaam, zijn titels en fortuin werden geërfd door zijn familielid Baldassare Erba-Odescalchi (1683-1746), de kleinzoon van Alessandro Erba en Lucrezia Odescalchi, de zus van Innocent XI en Carlo Odescalchi.

Terug naar de kunst en Van Wittel, van wie Odescalchi zoals gezegd een belangrijk opdrachtgever was. Odescalchi was een groot bewonderaar en verzamelaar van vedute en bezat bij zijn overlijden in 1713 meerdere vedute van Van Wittel. Hoeveel exact is niet helemaal duidelijk: volgens de ene bron bezat Livio Odeschalchi bij zijn overlijden 19 originele vedute plus 37 kopieën, een andere bron spreekt over 13 originele vedute en 34 kopieën die hij zou hebben nagelaten aan zijn achterneef. Een invenatrislijst uit 1713 maakt dan weer melding van 47 schilderijen van Van Wittel. In ieder geval zijn er in de administratie van Odescalchi betalingen terug te vinden voor tenminste tien vedute, gespecificeerd op onderwerp.

Odescalchi was geen typische Romeinse verzamelaar of vooraanstaand beschermheer van de kunsten, maar hij was wel een bereisd man met een open blik op Europa. Hij was geïnteresseerd in alchemie en astronomie, had zoals gezegd meegevochten tegen de Turkse legers om Wenen te bevrijden en onderhield relaties met allerlei hooggeplaatste Europese mensen als Maria Casimira, weduwe van de koning van Polen, en Christina van Zweden. In 1691 kocht hij een deel van de collectie van Christina van Zweden aan, waaronder een beroemde collectie munten en edelstenen. Uiteindelijk had Odescalchi bij zijn overlijden in 1713 een gigantische verzameling bij elkaar vergaard van meer dan 1.600 schilderijen, meer dan 10.000 tekeningen en daarnaast een grote collectie tapijten, antieke standbeelden, zuilen, munten en medailles, gravures en edelstenen. De inventaris van zijn nalatenschap, opgemaakt tussen 1 december 1713 en 6 april 1714 bestond uit maar liefst 800 pagina’s!

Een deel van de vedute ut de Odescalchi-collectie hangt nu in Palazzo Barberini, waar net een nieuw deel museumzalen is geopend waaronder een zaal met Van Wittels. Daar kom ik in een later blog nog wel op terug 🙂

Overigens is het portret van Livio Odescalchi boven dit stuk uit 1676 en van de hand van Jacob Ferdinand Voet (hangt tegenwoordig in het Walters Art Museum in Baltimore).

De ‘Virtuosi’

Na zijn verblijf in Palazzo Sacchetti (ongeveer van 1682 tot 1688) was Caspar van Wittel inmiddels een bekend schilder geworden. Zijn biograaf Pascoli beschrijft dat hij in die tijd schilderijen maakte voor veel adellijke families. Dat hij op dat moment al een bepaalde status had in Rome wordt ook duidelijk door het feit dat Van Wittel in 1686 lid werd van de Congregazione dei Virtuosi al Pantheon.

De volledige naam van dit genootschap was La Pontificia Insigne Accademia di Belle Arti e Lettere dei Virtuosi al Pantheon, maar ze werd ook wel de Compagnia of Congregazione di San Giuseppe di Terrasanta genoemd. Het was een gezelschap van schilders, beeldhouwers en architecten, stond onder pauselijk gezag en telde onder haar leden de meest vermaarde Romeinse kunstenaars (tot haar vroegste leden behoorden o.a. Taddeo Zuccari, Giacomo Barozzi da Vignola en Antonio da Sangallo de jongere). Het genootschap werd opgericht in 1542 als de ‘Congregatie van Sint-Jozef van het Heilig Land’ onder leiding van de cisterciënzer monnik Desiderio d’Adiutorio (1481-1546), canon van de kerk van het Pantheon. Deze D’Adiutorio was namelijk naar Palestina gereisd en had daar vandaan ‘terra santa’ meegenomen naar Rome. Hij deponeerde de heilige aarde in een ruimte van het Pantheon die voorheen niet in gebruik was maar waar hij nu een nieuwe kapel van maakte en waar hij de aarde in het altaar plaatste. Hij richtte de broederschap op om te garanderen dat de heilige aarde op deze manier bewaard bleef.

Op 15 oktober 1542, vrijwel direct na oprichting van het genootschapvan datzelfde jaar, werd het al erkend door de toenmalige paus, Paulus III (1468-1549). Hiermee is de Congregazione het oudste nog bestaande Romeinse artistieke genootschap (de Accademia di San Luca ontstond een halve eeuw later). De leden waren “virtuoso” oftewel deugdzaam, dat wilde zeggen dat ze geacht werden werken van barmhartigheid te verrichten voor andere leden (zieken bezoeken, stervenden begeleiden, etc.). Ze had dus niet zozeer instructie als uitgangspunt (zoals de verschillende accademie uit die tijd) maar had meer een spiritueel doel: de “uomini di grande ingegno” moesten vooral een goed voorbeeld zijn voor anderen. De Virtuosi kenden een grote mate van zelfstandigheid en kozen zelf de kardinaal die fungeerde als beschermheer van de Compagnia. Dit werd op een moderne democratische manier gedaan middels het plaatsen van zwarte (positieve) en witte (negatieve) ballen in een urn.

Vanaf de 17eeeuw vonden er vaak exposities plaats onder de portiek van het Pantheon. Bij deze tentoonstellingen kwamen regelmatig koninklijke en pauselijke gasten een kijkje nemen. Maria Casimira, koningin van Polen, woonde de tentoonstelling bij in het Heilig jaar 1700, paus Clemens XI de tentoonstelling van 1706 en de koningin van Engeland die van 1707. Wat zal dat een opmerkelijk gezicht zijn geweest, al die schilderijen etc. die geëxposeerd werden tussen de zuilen in het portiek van het Pantheon. Daar waar nu de toeristen in drommen staan te wachten om naar binnen te mogen! De deur van de congregatie is er dus nog steeds, deze is links in het portiek te vinden met de originele titel van het genootschap boven de deur.

We zijn weer ‘thuis’

Aangezien de periode van de tentoonstelling bijzonder druk was, heb ik na afloop even de tijd genomen maar zo langzamerhand wordt het toch wel weer eens tijd iets te schrijven! Helemaal omdat ik inmiddels weer ‘thuis’ ben, namelijk op het Nederlands Instituut in Rome. Hier doe ik als het even kan in de zomer een paar weken onderzoek.

Het KNIR (Koninklijk Nederlands Instituut Rome) is het oudste en grootste van alle Nederlandse wetenschappelijke instituten in het buitenland. Er worden hier lezingen en congressen gehouden, allerlei culturele en wetenschappelijke activiteiten georganiseerd en cursussen gegeven op verschillende niveaus binnen verschillende disciplines (ook interdisciplinair). Daarnaast biedt het instituut onderdak aan onderzoekers zoals ikzelf en stelt beurzen beschikbaar. Ik ben hier voor het eerst geweest in 2014 toen ik een beurs kreeg om hier onderzoek te doen voor mijn Masterscriptie. Sindsdien ben ik hier meerdere keren geweest in de zomer waardoor het hier nu een beetje voelt als thuiskomen 😉 De staf is heel prettig, kundig en helpt je waar ze kunnen. En er is een fijne bibliotheek om in te werken met een “kick-ass librarian”. Al met al is het weer superfijn om hier een tijdje te zijn!

De komende weken ga ik natuurlijk in de eerste plaats hard werken aan mijn onderzoek maar ik zal ook weer de tijd nemen om wat wetenswaardigheden rondom onze vriend Caspar van Wittel en zijn familie, vrienden, etc. met jullie te delen. Wordt vervolgd dus weer 🙂 🙂