Castel Sant’Angelo

Omdat ik vandaag vertrek uit Rome nog een laatste ‘blik’ op de stad en wel op de Engelenburcht. Dit gebouw is bijna net zou oud als de stad Rome zelf en heeft net zo’n roerige geschiedenis.

Het gebouw is opgericht als mausoleum voor de Romeinse keizer Hadrianus (76-138). Hij was een zogenaamde adoptiefkeizer: hij was geen zoon van zijn voorganger Trajanus maar deze laatste was via zijn moederskant een neef van de vader van Hadrianus en had volgens zeggen Hadrianus voor zijn dood aangewezen als opvolger. Hadrianus is denk ik het meest bekend vanwege het feit dat hij het Pantheon herbouwde ofwel om de Hadriaanse muur (de muur in Engeland die de noordelijke grens van het Romeinse Rijk aangaf).

Oorspronkelijk stond het mausoleum (natuurlijk) niet binnen de stad zelf maar in ongeveer 403 werd het opgenomen binnen de Aureliaanse muren in opdracht van keizer Honorius (384-423). Vanaf dat moment werd het een bastion dat de stad moest beschermen en kwam het bolwerk steeds in handen van een andere belangrijke Romeinse familie (die zich daarmee natuurlijk in een betere positie plaatste). In 1277 werd in opdracht van paus Nicolaas III de Passetto di Borgo gebouwd, de ca. 800 meter lange ontsnappingsroute vanaf het Vaticaan naar de Engelenburcht. Dit bleek handig te zijn want meerdere pausen maakten gebruik van de route om naderend gevaar te ontvluchten zoals paus Alexander VI in 1494 toen de Franse troepen de stad binnenvielen (onder Karel VIII) en paus Clemens VII in 1527 tijdens de Plundering van Rome. In 1367 werden de sleutels van het gebouw overgedragen aan paus Urbanus V, omdat toentertijd de pausen resideerden in Avignon en dit was onderdeel van de terugkeer van de paus naar Rome. Pas aan het einde van de 19e eeuw droeg het Vaticaan de burcht over aan het Italiaanse leger en daarna is het in gebruik genomen als museum.

De burcht dankt zijn naam aan het feit dat op kerstdag 590 de aartsengel Michaël boven de burcht zou zijn verschenen. Hij zou zijn zwaard in zijn schede hebben gedaan om te laten zien dat de smeekbede van de toenmalige paus zou worden verhoord om de toen heersende pestepidemie te laten stoppen. Het huidige engelenbeeld bovenop de burcht (waar het zijn naam ook aan dankt) is in 1752 gemaakt door Pieter Antoon Verschaffelt, een Vlaamse beeldhouwer en architect.

En met deze blik op de stad neem ik afscheid van Rome.

Ciao Roma, a la prossima!

Spaanse trappen

Als ik naar de Hertziana-bibliotheek moet, loop ik door Villa Borghese en langs Villa Medici en de kerk Trinità dei Monti. Omdat ik het in mijn vorige bericht over obelisken had en dat de antieke exemplaren op een gegeven moment op waren, moest ik hier aan denken want er staat voor de kerk ook een obelisk, de Obelisco Sallustiano. Deze werd al in de Romeinse tijd gebouwd maar hier pas in 1788 geplaatst in opdracht van paus Pius VI (de obelisk was in 1738 door de familie Ludovisi aan paus Clemens XII geschonken).

De kerk staat bovenaan de Spaanse trappen die in het Italiaans de Scalinata della Trinità dei Monti heet naar de kerk waar de trappen naar toe leiden. De kerk werd gebouwd in opdracht van Lodewijk XII vanaf 1502. De kerk werd pas voltooid in 1587 met de dubbele trap voor de ingang van Domenico Fontana. Al in de 17de eeuw wilden de Fransen de kerk verbinden met het plein beneden waar de Spaanse ambassade was gevestigd. Vandaar dat het plein beneden aan de trappen Piazza di Spagna heet (en de trappen dus de Spaanse Trappen worden genoemd). De Fransen hadden hiervoor een ontwerp bedacht waar zeer prominent een standbeeld van Lodewijk XIV in was opgenomen. Dat zagen ze hier natuurlijk niets zitten dus dat plan ging niet door. In 1723 benoemde paus Innocentius XIII een Italiaanse architect, Francisco de Santis. Deze moest met een plan komen dat voor zowel de Fransen als de Italianen acceptabel was. Uiteindelijk werden de trappen tussen 1723 en 1725 gebouwd, o.a. met geld van de Franse ambassadeur. De trappen bestaan uit 135 treden en drie verschillende terrassen, verwijzend naar de Trinità (de Heilige drie-eenheid).

In de tijd van Claude Lorrain (links, ca. 1650) en de Pianti di Roma van Giovanni Battista Falda (1667) waren de trappen er dus nog niet:

Maar in de tijd van Giovanni Paolo Panini (links, ca. 1756-1758) en de Rome-plattegrond van Nolli (1748) waren ze er wel:

Op alle afbeeldingen is op de Piazza di Spagna al de Fontana della Barcaccia te zien, gemaakt door Pietre Bernini (de vader van de beroemde Gian Lorenzo Bernini).

Maar in de tijd van onze vriend Caspar was er dus nog geen obelisk en waren er ook nog geen trappen:

Villa Torlonia

Gisteren waren we een aperitivo drinken bij La Limonaia, een bar/restaurant in het park van Villa Torlonia. Dit is een soort van buurtpark, waar mensen uit de omgeving naar toe komen om lekker in het gras te liggen, de hond uit te laten of een gezamenlijke activiteit te ondernemen. Overal waar we keken zagen we wel een hardloopclubje, yogales of bootcamp bezig.

Het park heeft een totale oppervlakte van zo’n 132.000 m2 en heeft nogal een gevarieerde geschiedenis. In eerste instantie behoorde dit gebied toe aan de familie Pamphilj (grofweg van het einde van de 17e tot het midden van de 18e eeuw). Het had toen voornamelijk een agrarische functie, het was dus een soort van buitenlandgoed. Rond 1760 werd het gebied eigendom van de Colonna-familie maar zij wijzigden niet echt iets aan de functie, het bleef een typische vigna (wijnaard) met boomgaarden, wijnranken etc. In 1797 kocht markies Giovanni Torlonia het gebied van de Colonna’s en maakte er een luxueus onderkomen van, omgeven door groen. Hij liet eerst de bestaande woning aanpassen door de architect Giuseppe Valadier, dit gebeurde tussen 1802 en 1806. Later werd de huidige villa gerealiseerd, in de periode 1835-1842.

De familie woonde in de villa tot 1925 toen Mussolini (of all people!) hier zijn intrek nam. De toenmalige bewoner trok zich terug aan de rand van het landgoed in La Casina delle Civette (het huis van de uilen):

Mussolini ‘huurde’ Villa Torlonia van de familie voor het symbolische bedrag van 1 lire per jaar en gebruikte het als zijn ambtswoning. Na de 2e WO kwam het gebouw leeg te staan en raakte in verval. In 1977 kwam het park in bezit van de gemeente Rome en werd gerestaureerd. Sinds 1978 is het opengesteld voor publiek.

In de villa is een museum en van het park wordt dus goed gebruik gemaakt door de buurtbewoners 🙂 In het park bevinden zich allerlei (vervallen) paviljoens en graftombes. Bijzonder is ook dat er zich bij de ingang van het park borden zijn met de plattegrond van het park die gebruikt kunnen worden door blinde en slechtziende mensen (braille) en mensen in een rolstoel (er is ruimte onder de plattegrond om je rolstoel er dicht op te kunnen rijden).

In het park staan ook twee obelisken. Deze zijn opgericht door Alessandro Torlonia halverwege de 19e eeuw. Hij wilde 1 obelisk ter herinnering aan zijn vader en 1 voor zijn moeder. De destijds bekende obelisken in Rome waren echter allemaal nog uit de oudheid en door verschillende pausen opnieuw opgericht op nieuwe plekken in de stad. En wat wilde nu het geval: die antieke obelisken waren allemaal op 😉 Dus liet Alessandro twee compleet nieuwe obelisken maken. Hij liet twee grote granieten blokken uit de bergen (ergens bij Lago Maggiore) komen en per schip naar Rome transporteren. Op de plaats van bestemming aangekomen liet hij er door een egyptoloog helemaal nieuwe hiëroglyfen in kappen om ze vervolgens in het park op te richten.

Luigi’s doop(namen)

Vandaag was ik door een catalogus aan het kijken over een tentoonstelling in Caserta waar ook werd verwezen naar de doop van Luigi op 26 mei 1700 in Napels. Luigi was daar twee weken eerder geboren, op 12 mei 1700.

Caspar en Anna hadden al eerder een zoon gekregen, Urbano (op 18 november 1698) maar deze was helaas een paar dagen na zijn geboorte al overleden. Vervolgens had het echtpaar Rome verlaten om naar Napels te komen. Van Wittel was door Don Luis de la Cerda de Cordoba (1660-1711), de hertog van Medinaceli en de Spaanse onderkoning van Napels (van 1695 tot 1702), uitgenodigd om naar het koninkrijk te komen. (Zie over De la Cerda ook mijn eerdere blog: https://casparvanwittel.blog/2018/07/08/luis-francisco-de-la-cerda/ )

Van Wittel werd door de hertog gevraagd zijn appartementen in het paleis te decoreren. Volgens de eerste biograaf van Van Wittel, Lione Pascoli, was dit dankzij de bemiddeling van Filippo II Colonna die getrouwd was geweest met de zus van de hertog, Lorenza de la Cerda. Maar de hertog kende Van Wittel al uit Rome waar de hertog ambassadeur van Spanje was geweest in het Vaticaan van 1687 t/m 1696 (hij werd in 1696 benoemd tot onderkoning van Napels). Naast de opdracht voor De la Cerda leverde onze vriend Caspar in Napels o.a. ook werk af voor de prinsen Caracciolo d’Avellino. Deze adellijke familie was ook weer via een huwelijk verwant aan de Colonna’s want in 1687 was Marino Francesco Caracciolo (1668-1720) getrouwd met een nicht van Lorenzo Onofrio Colonna (= de vader van Filippo II), Antonia Spinola Colonna. Dit leverde prins Caracciolo behalve uitstekende familieconnecties ook een bruidsschat op van maar liefst 60.00 dukaten!

Goed, zoals gezegd werd Luigi dus geboren in Napels en hij werd officieel ten doop gehouden door zijn peetvader, Luis de la Cerda, al liet deze laatste zich bij de doop niet persoonlijk zien. In het doopbewijs staat namelijk dat hij werd vertegenwoordigd door “Capitano don Giovanni”. In de inschrijving van de doop wordt ook de volledige naam van Luigi vermeld: Luigi Gaetano Berardino Giovanni Francesco Nereo Achille. De naam Luigi kwam (natuurlijk) van zijn peetvader, Luis de la Cerda en de laatste twee namen verwijzen naar de christelijke heiligen Nereus en Achilleus die op 12 mei worden herdacht.

Nereus en Achilles waren broers die soldaten waren in het Romeins keizerlijke leger en lid van de Pretoriaanse wacht. Na hun bekering tot het Christendom werden de broers verbannen. Het verhaal is me niet geheel en al duidelijk maar er is een schilderij van de twee met hun meesteres Flavia Domitilla te vinden in de Santa Maria in Valicella, geschilderd door Peter Paul Rubens:

Nereus en Achilleus hadden hun meesteres er van overtuigd dat zij beter kon afzien van haar geplande huwelijk en voor een huwelijk met Christus kon kiezen. Zij liet zich overtuigen met een reeks van vervolgingen tot gevolg. Nereus en Achilleus werden gefolterd en onthoofd, Domitilla werd uiteindelijk opgesloten in een huis en daar samen met haar bekeerde vriendinnen verbrand. Het loopt echt nooit goed af met die heiligen 😉

Dat dit schilderij in de Chiesa Nuova oftewel de Santa Maria in Vallicella (oftewel de kerk van Filippus Neri (1515-1595), de stichter van de orde der Oratorianen) hangt komt doordat de opvolger van Neri, Cesare Baronio (1538-1607) door paus Clemens VIII in 1596 tot kardinaal benoemd. Baronio koos de basiliek gewijd aan Nereus en Achilleus tot zijn titelkerk en liet de relieken van de drie heiligen naar zijn titelkerk overbrengen.

Voor ons is de kerk natuurlijk veel bekender dankzij het feit dat Caspar hier begraven ligt met zijn vrouw Anna. Dat zij hun zoon de doopnamen Nereus Achille meegaven is waarschijnlijk ingegeven door de geboortedatum van Luigi op 12 mei, de dag waarop de heiligen herdacht worden. Later zou Luigi zelf zijn band met de Santa Maria in Vallicella bevestigen door de hamer en troffel die gebruikt werden bij de eerste steenlegging van het paleis van Caserta en hem door de koning van Napels werden geschonken aan de kerk te schenken als ex-voto (deze zijn nog steeds te vinden in de kamers van Filippo Neri naast de kerk).

Van Wittels in de Barberini

Zoals ik in het vorige blog schreef, heeft de Barberini (nu onderdeel van de Gallerie Nazionale, voorheen de Galleria Nazionale d’Arte Antica) een aantal Van Wittels in de collectie. De afgelopen jaren waren deze vaak niet te zien omdat de tweede etage waar ze hingen, vaak gesloten was wegens gebrek aan personeel. Sinds kort zijn ze echter weer te bewonderen want in april 2019 is er een nieuw gedeelte geopend met 10 tentoonstellingszalen (de nummers 33 t/m 42) in de zuidvleugel van het paleis op de piano nobile (wat wij de eerste etage noemen). Hier zat voorheen (een deel van) het Ministerie van Defensie maar is inmiddels geheel gerestaureerd en weer geopend voor het publiek. De zalen hebben een totaal van 750 vierkante meter nieuwe tentoonstellingsruimte en alles is er nieuw. Van nieuwe verlichting tot aan nieuwe looproutes en nieuwe panelen met uitleg en opschriften aan toe. De bedoeling is dat het hiermee voor de bezoekers een beter toegankelijk museum wordt.

De allerbelangrijkste zaal in de nieuwe opstelling is natuurlijk zaal 40, gewijd aan “la veduta Romana”. Oké, er hangt ook een Pannini en die is best aardig maar waar het om gaat zijn natuurlijk de Van Wittels!

Deze zijn afkomstig uit de Odeschalci-collectie en werden gedoneerd aan de Galleria Nazionale in 1895. En er is natuurlijk weer van alles op te zien, zoals bijvoorbeeld op de veduta met de Villa Medici. Je ziet de was buiten hangen, dames op een balkonnetje met elkaar converseren en midden voor in beeld hangt een jongetje tegen een paaltje met het jaartal.

Super leuk om ze weer te kunnen zien 🙂 🙂

Palazzo Barberini

Er is altijd een goede reden om Palazzo Barberini te bezoeken. Is het niet dat hier de Galleria Nazionale d’Arte Antica is gevestigd, is het wel dat het een prachtig gebouw is. Het is het ultieme barokpaleis met een enorme oppervlakte van 12.000 m2, 187 kamers en 11 trappen(huizen). Oorspronkelijk stond op deze plek een villa van de Sforza-familie die werd opgekocht door Maffeo Barberini (1568-1644) nadat hij in 1623 was verkozen tot paus Urbanus VIII. De aankoop deed hij voor zijn drie neven, Taddeo, Francesco en Antonio Barberini. De meest gerenommeerde kunstenaars van de tijd werden in de arm genomen om de villa om te bouwen tot paleis. Carlo Maderno (1556-1629) bedacht de lay-out, het paleis heeft de vorm van een H met daaromheen een grote tuin. De grote centrale hal die twee etages hoog is en het vierkante trappenhuis zijn van Gian Lorenzo Bernini (1598-1680). In de hal werd door Pietro da Cortona een enorm plafondfresco geschilderd, de “Triomf van de Goddelijke Voorzienigheid”, om de wereldlijke en spirituele autoriteit van het Barberini-pontificaat te vieren (let vooral ook op de drie Barberini-bijen, alom aanwezig in het paleis zelf maar dus ook prominent op het plafond):

Maar een van de mooiste dingen is toch wel het helix-vormige trappenhuis van Francesco Borromini (1599-1667):

Een andere bijzonder goede reden om te gaan is dat het museum een aantal Van Wittels in de collectie heeft. Daarover later meer want de reden dat we er gisteren waren, was dat het nu tijdelijk mogelijk is de appartementen te bezoeken op de derde etage. Deze appartementen zijn in de 2e helft van de 18e eeuw ingericht door prinses Cornelia Costanza Barberini en haar man prins Giulio Cesare Colonna di Sciarra en zijn perfect bewaard gebleven.

Als je vanuit de appartementen naar buiten kijkt kun je de achterzijde van het paleis zien waar eens de keukens waren (linkerfoto) en aan de andere kant het deel waar nog steeds iemand woont van de familie, de huidige prinses Barberini (rechterfoto):

Dat de familie er nog woont, is niet verwonderlijk misschien maar het kon soms raar lopen in het zeventiende-eeuwse Rome. Na de dood van Urbanus VIII (in 1644) werd het paleis namelijk geconfiskeerd door zijn opvolger, paus Innocentius X. Deze Pamphili-paus had nogal wat te verhapstukken met de Barberini-neven, deze laatsten vluchtten zelfs tijdelijk naar Frankrijk. Uiteindelijk werden de geschillen bijgelegd (eerder voor de lieve vrede dan echte vrede want de Franse kardinaal Mazarin dreigde troepen naar Italië te sturen) en werd in 1653 werd het paleis aan ze teruggegeven.

De Italiaanse staat verwierf het paleis in 1949, samen met 112 kunstwerken, direct van de familie en vestigde er een museum in. Dit museum is sinds kort met de Galleria Corsini samengegaan en het geheel is nu de Gallerie Nazionale geworden.

De ‘passonata’

Zoals ik vandaag al vertelde was ik gisteren tekeningen kijken in het prentenkabinet. Naast de fijne verrassing van de Luigi-tekeningen was ik ook blij om de Van Wittel-tekeningen te zien die ik vorige keer niet meer had kunnen opvragen. Een daarvan was de prachtige tekening boven dit stuk. Hierop heeft onze vriend Caspar de passonata afgebeeld.

Deze passonata was een project van Cornelis Meijer (zie eerdere blogs voor meer info: links hieronder).

https://casparvanwittel.blog/2017/07/08/cornelis-meyer-de-tiber/

https://casparvanwittel.blog/2017/07/18/cornelis-meyer-de-tiber-dl-2/

https://casparvanwittel.blog/2018/07/23/cornelis-meijer-de-tiber-dl-3/

Meijer was in Amsterdam geboren maar reisde in 1674 naar Venetië waar hij zijn technische expertise probeerde te slijten aan de Venetiaanse Republikeinse overheid. Geen al te gekke gedachte want Venetië kende natuurlijk een soort van overeenkomstige waterproblematiek als de Nederlandse Republiek. Meijer had behoorlijk succes in de lagunestad, een aantal van zijn ideeën kreeg gehoor en deze plannen werden vervolgens uitgetest en aangenomen. Meijer kreeg de leiding over alle werkzaamheden en hem werd zelfs officieel de titel van ingenieur toegekend. In maart 1675 vertrok Meijer naar Rome, zelfs nog voordat hij zijn taken als opzichter van het uitbaggeren van de haven op zich had genomen. Hij beloofde snel terug te keren naar de Republiek maar uiteindelijk is dit nooit gebeurd. 

In Rome vond Meijer nieuwe mogelijkheden om zijn technische vaardigheden aan te wenden. Hij raakte betrokken bij een project in het noorden van Rome. Hier vormde de Tiber een gevaar voor de Via Flaminia, de straat die leidde naar de Piazza del Popolo. De meanderende rivier dreigde meer dan eens de directe toegangsweg naar de stad te overstromen wat natuurlijk niet erg handig was voor de noordelijke bezoekers aan de stad. Paus Clemens IX (paus van 1667-1669) had reeds de beste ingenieurs en architecten in Italië te hulp geroepen om een plan te bedenken om dit te voorkomen. Daaropvolgend schreef hij een competitie uit die werd gewonnen door een jonge leerling van Bernini, Carlo Fontana. In de tussentijd echter overleed de paus en de nieuwe paus Clemens X (paus van 1670-1676) aarzelde om de volgende stap te nemen omdat hij de plannen van Fontana te duur vond. Terwijl paus en kardinalen drukke discussies voerden over Fontana’s plan, arriveerde Meijer in Rome. Hij suggereerde (via de Venetiaanse ambassadeur van de Heilige Stoel) een hele andere oplossing voor de problemen bij de Via Flaminia. En aangezien de plannen van Meijer veel goedkoper waren, besloot de paus Meijer de opdracht toe te kennen (en daarmee Fontana te passeren). In maart 1676 begon Meijer aan het project, hij verwijderde een aantal obstakels uit de rivierbedding en plaatste vervolgens een lange rij palen in de rivier. Dit was de passonata en deze zorgde ervoor dat de stroming van de rivier werd verlegd waardoor de Via Flaminia geen gevaar meer liep. Het was een enorm succes en maakte Meijer direct een bekend figuur in de Romeinse wereld van architecten en ingenieurs!