Op reis

Gisterochtend zou ik weer in het vliegtuig zijn gestapt om drie weken onderzoek te gaan doen in Rome maar helaas kon deze reis door alle omstandigheden nu niet doorgaan. Om het dan maar in een positief licht te bezien, wilde ik van de gelegenheid gebruik maken om het vandaag te hebben over de reizen die Caspar in zijn leven heeft afgelegd.

De eerste grote reis die de jonge Caspar ondernam was natuurlijk die naar Italië. Hoe de tocht precies is verlopen weten we niet maar volgens Van Wittels eerste biograaf Lione Pascoli ging de reis via Venetië, Ferrara, Bologna en Florence naar Rome. Meer informatie hebben we over een andere schilder die rond dezelfde tijd ook de reis naar Rome ondernam, Abraham Genoels. Van Wittel kende Genoels want in januari 1675 ondertekende Van Wittel de brief waarmee Genoels, afkomstig uit Antwerpen, toetrad tot het kunstenaarsgezelschap de Bentvueghels. De reis naar Rome van Genoels werd beschreven door Arnold Houbraken in zijn standaardwerk De Groote Schouburgh der Nederlantsche Konstschilders en Schilderessen. Houbraken vertelt dat Genoels op de 8e van de herfstmaand (september) in het jaar 1674 vertrok uit Antwerpen. De schilder reisde naar Keulen en vanaf daar per schip naar Frankfurt, per koets verder naar Augsburg en vervolgens te paard via Tirol naar Mestre om vanaf daar per schip naar Venetië te reizen. Na een stop in de lagunestad vervolgde het gezelschap haar weg langs Ferrara en Bologna, te paard naar Loreto en tenslotte via andere kleine steden naar Rome waar men op de 4e van de slachtmaand, oftewel 4 november, aankwam. Waarschijnlijk is het inderdaad zo gegaan want Houbraken baseert zich op Genoels zelf, hij schrijft: “dus heeft hy ’t my in een brief op gegeven”. Een reis naar Italië ging in die tijd altijd met een groep van reizigers. Edelen, ambassadeurs en andere hogere heren ondernamen de reis niet zonder een complete entourage en (jonge) kunstenaars die de tocht wilden ondernemen sloten zich vaak aan bij een reeds bestaand reisgezelschap. Dit bood hen gezelschap maar ook bescherming want in die tijd was de reis niet zonder gevaren.

Van Wittel zal de reis dus niet alleen hebben ondernomen. Naar we aannemen vertrok Van Wittel uit Amersfoort met een andere leerling van Withoos, Jacob van Staverden maar zij zullen zich vervolgens bij een groter gezelschap hebben aangesloten. Hoe dan ook kwam Van Wittel de Eeuwige Stad binnen via de Via Flaminia. De gebruikelijke entreeroute vanuit het noorden de stad in was via de Porta del Popolo. Het plein was toen nog niet geplaveid (Van Wittels veduta is van een latere datum, de tweelingkerken werden respectievelijk voltooid in 1675 en 1681):

Van Wittel zou het grootste deel van zijn leven in Rome blijven wonen, maar hij ondernam zeker twee keer in zijn leven een reis naar Noord-Italië, in 1690 en 1694. Tijdens de eerste reis bezocht de schilder in ieder geval Lombardije, dit weten we omdat er veel tekeningen en ook een aantal schilderijen zijn van Lago Maggiore en de Borromeïsche eilanden. De tweede rondreis, vanaf 1694, duurde langer, waarschijnlijk een aantal jaar en was in ieder geval uitgebreider. Van Wittel reisde eerst naar Florence, waar hij werken afleverde voor de groothertog van Toscane. Daarna bezocht hij de steden Bologna, Ferrara en Venetië, waar hij vedute schilderde voor verschillende adellijke families. Pascoli schreef dat Van Wittel de tweede reis ondernam ter ontspanning en educatie, maar hij was er kennelijk ook om zijn werken aan de man te brengen. Na Venetië reisde Van Wittel door naar Milaan waar hij ook weer verschillende opdrachten kreeg. Over deze opdrachten is niets bekend, behalve de melding van Pascoli dat Van Wittel werkte voor heren die hem beschaafd behandelden (“… perché lavorò per alcuni di que’ Cavalieri che le trattarono signorilmente.”). 

Tenslotte reisde Caspar via Piacenza weer terug naar Rome waar hij in februari 1697 trouwde. Twee jaar later verliet het jonge echtpaar de stad om naar Napels te vertrekken. Van Wittel was door de Spaanse onderkoning van Napels uitgenodigd om naar het koninkrijk te komen, hij gaf Van Wittel de opdracht zijn privé-appartementen in het paleis te decoreren. In Napels werd Caspars zoon Luigi geboren, zoals ik van de week al schreef, op 12 mei 1700. Moeder en zoon bleven niet lang in Napels want in het voorjaar van 1701 werd het er politiek behoorlijk onrustig en besloot Van Wittel beide terug te brengen naar Rome. Hij bracht ze onder dak bij zijn schoonvader maar bleef zelf heen en weer reizen tussen beide steden omdat hij nog werk had in Napels. Het najaar er op werd de situatie steeds nijpender en uiteindelijk werd Van Wittels opdrachtgever zelfs ontslagen van zijn diensten als onderkoning. Nadat hij in het voorjaar van 1702 terugging naar Spanje, besloot Van Wittel zijn voorbeeld te volgen en definitief terug te keren naar zijn familie in Rome.

Luigi en ‘zijn’ boeken

Omdat het zijn verjaardag is, vandaag weer een klein verhaaltje over Luigi. Hij werd op 12 mei 1700 geboren in Napels maar zijn vader bracht hem al snel met zijn moeder terug naar Rome omdat het politieke klimaat in Napels behoorlijk onrustig werd. Luigi zou echter later in zijn leven terugkeren naar Napels om te gaan werken voor Karel van Bourbon voor wie hij het prachtige paleis van Caserta ontwierp. 

Luigi Vanvitelli kon het goed vinden met de koning van Napels en voelde zich ook door hem beschermd. De goede verstandhouding tussen de koning en zijn architect werd waarschijnlijk bevorderd door het feit dat beide heren een brede kennis en interesse hadden. Zo hadden zij allebei een grote belangstelling voor de literatuur. Karel van Bourbon stichtte in Napels ook een koninklijke uitgeverij, de Stamperia reale. Een onderneming die op grote sympathie en steun van de geletterde Vanvitelli kon rekenen. Luigi was namelijk een groot liefhebber van boeken, eigenlijk al sinds hij op jonge leeftijd een deel van de collectie van zijn grootvader erfde. Hij las boeken om zijn kennis uit te breiden maar accepteerde daarbij niet altijd zonder meer wat hij las. Zijn hele leven kocht hij manuscripten en gedrukte illustraties aan op allerlei gebieden. En hij hield zelfs notitieboeken bij over zijn ervaringen met de diverse publicaties. In Napels gebruikte hij zijn bibliotheek om met de koning te kunnen converseren en hem van advies te dienen op allerlei gebieden. Zo las hij bijvoorbeeld meerdere boeken over de antieke wereld naar aanleiding van de opgravingen bij Herculaneum. 

Nadat Karel van Bourbon de koninklijke uitgeverij had opgericht, vroeg hij Vanvitelli hem te helpen door het allerbeste papier in te kopen, gravures en drukwerk te controleren en zelfs typografie, kapitalen en illustraties te ontwerpen voor belangrijke uitgaven. Zo ontwierp Luigi  parlanti voor de publicatie van Le Antichità di Ercolano Esposte (‘De antiquiteiten van Herculaneum geopenbaard’). Deze parlanti zijn geïllustreerde initialen versierd met een figuratieve afbeelding waarvan de naam begint met de letter zelf. In het manuscript zijn er maar liefst 540 van deze ‘sprekende initialen’ die werden ontworpen door Luigi en gegraveerd door Carlo Nolli. 

Le Antichità di Ercolano Esposte werd gepubliceerd tussen 1757 en 1792 en bestaat uit acht delen met allerlei gravures van de bevindingen van het opgraven van de ruïnes van Herculaneum in het Koninkrijk Napels plus objecten van alle opgravingen die de Bourbons rond de Golf van Napels ondernamen inclusief Pompeii). Exemplaren van het boek werden naar allerlei belangrijke ontvangers in heel Europe gezonden.

Al eerder, in 1756, werd bij de koninklijke uitgeverij ook Luigi Vanvitelli’s Dichiarazione gedrukt, een uitgave met de ontwerpen voor het paleis van Caserta. In januari 1751 had Luigi een groot aantal etsen gemaakt van zijn ontwerpen, op verzoek van de koning en zijn vrouw. Ze wilden namelijk niet alleen een paleis hebben dat alle andere in Europa zou overtreffen, maar ook dat dit in Europa algemeen bekend was. Het boek met ontwerpen moest natuurlijk ook opvallen tussen andere publicaties en Karel van Bourbon en zijn vrouw bemoeiden zich dan ook intensief met de uitgave. Zo inspecteerden ze bijvoorbeeld zelf de pagina’s. De koning zond exemplaren van de publicatie naar meerdere Europese hoven, waaronder naar de vader van de koningin, de koning van Polen.  Ook Luigi zelf was trots op de publicatie, hij zond een aantal kopieen van ‘zijn’ boek over Caserta naar belangrijke vrienden en zijn broer Urbano in Rome. Zijn eigen exemplaar liet hij uiteindelijk na aan de Academie van Sint Lucas in Rome.

Flavio Orsini

Van de ontwerptekening die boven aan mijn blog van zaterdag 18 april 2020 staat, heeft onze vriend Caspar voor zover wij weten slechts één enkel schilderij gemaakt. Dit schilderij, de Veduta della Strada di Porta Pincina hangt in het Museo di Roma in Palazzo Braschi. Op de plek van dit museum stond in de tijd dat Van Wittel in Rome rondliep de zogenaamde ‘Torre Orsini’. In mijn lezingen vertel ik over de Genuese kunsthandelaar Pellegrino Peri (voor wie Caspar ergens in zijn eerste jaren in Rome werkte) die zijn bottega gevestigd had in dit gebouw. Hier wordt namelijk naar verwezen als “sotto il Palazzo del Duca di Bracciano” en de hertog van Bracciano was een Orsini. Tenminste, tot 1696, toen de laatste hertog (en prins) Flavio Orsini zich onder een enorme schuldenlast gedwongen zag het paleis en de hertogelijke titel te verkopen aan Livio Odescalchi (ons ook wel bekend als een van Caspars belangrijkste opdrachtgevers).

Flavio Orsini (1620-1698) werd in Rome geboren als tweede zoon van de toenmalige hertog van Bracciano, Ferdinando Orsini, die behoorde tot de meest illustere en machtige tak van de toch al zeer belangrijke Orsini-familie. Hij trouwde twee keer, in 1642 met Ippolita Ludovisi en nadat hij weduwnaar was geworden, in 1674 met Marie-Anne de la Trémoille. Dit laatste huwelijk duurde maar liefst 23 jaar maar daarvan brachten zij er maar negen samen door omdat Marie-Anne nogal vaak te vinden was aan het hof van Lodewijk XIV om daar de belangen van haar en haar man te verdedigen. Flavio Orsini woonde afwisselend in het familiepaleis aan de zuidkant van Piazza Navona (wat overigens ook wel het palazzo ‘a Pasquino’ werd genoemd omdat het beroemde pratende beeld hier vlakbij stond) en het paleis in Bracciano.

Bij de dood van zijn vader in 1660, werd Flavio Orsini de vijfde hertog van Bracciano maar daarnaast had hij nog veel andere titels zoals hertog van Sangemini, prins van Nerola, prins van Scandriglia en hij was een grande van Spanje (hoge adel). Met prins Colonna (ja, die ja) deelde hij de eretitel van principe assistente al Soglio Ponteficio, wat zoveel betekende als dat de beide heren het recht hadden afwisselend tijdens plechtigheden aan de rechterzijde van de paus plaats te nemen. Hij had ook vanaf 1653 de rang van buitenlandse prins aan het hof van Turijn en werd in 1671 de Venetiaanse adelstand toegekend.

Paleis van Bracciano

Flavio Orsini stond in het middelpunt van een uitgestrekt netwerk van correspondentie tussen Europese rechtbanken, waaronder die van Parijs, Wenen en Madrid. Daardoor kon hij als bemiddelaar optreden aan de verschillende buitenlandse en pauselijke rechtbanken. Zoals gezegd hadden hij en zijn tweede vrouw goede banden met het Franse hof en in Rome werd hij beschouwd als het hoofd van de pro-Franse fractie. Binnen de Romeinse adel waren er grofweg twee tegengestelde kampen, de pro-Franse en de pro-Spaanse, die afwisselend de boventoon voerden. Wisseling van de macht was meestal het directe gevolg van de overgang van de ene naar de andere paus. Orsini’s uitdrukkelijke standpunten brachten hem echter nogal eens in moeilijkheden aan het pauselijke hof en in 1688 werd hij zelfs gedwongen van partij te veranderen. Lodewijk XIV reageerde daar op door het pensioen dat hij eerder in 1666 aan Orsini had toegekend uit te keren aan de arme bevolking van Rome.

Flavio Orsini verwaarloosde zijn familiebezittingen en was qua gezondheid zeer onstabiel, wat voortdurend financiële moeilijkheden veroorzaakte en uiteindelijk tot een faillissement leidde. In 1678 moest hij het familiepaleis in Rome te koop zetten, maar in eerste instantie vond hij hier geen kopers voor. Daarop verkocht hij eerst een aantal andere landeigendommen van de familie maar het mocht niet baten en in 1690 ging dan toch het paleis in Rome over in de handen van Livio Odescalchi.

Flavio Orsini was een groot muziekliefhebber en had meerdere muzikanten in dienst. Hij schreef ook zelf libretto’s en andere teksten om op muziek gezet te worden. Onder de door Orsini beschermde muzikanten waren Alessandro Stradella, Ercole Bernabei, Alessandro Scarlatti, Bernardino Pasquini en Paolo Lorenzani (om er maar een paar te noemen).

Hé, maar wacht eens even, die naam Lorenzani kennen we toch? Jazeker, Paolo Lorenzani was de broer van Giovanni Lorenzani, Caspars schoonvader. Sterker nog, Caspar schoonvader schreef theaterstukken die opgevoerd werden bij belangrijke gelegenheden zoals jawel, het huwelijk van Flavio Orsini in 1675.

En zo zijn we weer beland bij Caspar zelf die onderstaand schilderij maakte van de (omgeving van de) Chiesa di Santi Marcellino e Pietro, waar Flavio Orsini een van de beschermheren van was.

Te zien of niet te zien…

Afgelopen jaar was natuurlijk mijn top-tentoonstellingen-jaar ooit door de Maestro Van Wittel-tentoonstelling in Amersfoort. Dit jaar stonden er echter ook een paar mooie tentoonstellingen op het programma, waarvan er twee waren waar ik bijzonder naar uitkeek. Helaas is het in deze bizarre Corona-tijden niet mogelijk om al die mooie werken te bewonderen.. Of toch wel?

Zoals ik al eerder schreef, openen veel musea virtueel hun deuren en ook de twee exposities waar ik al kaartjes voor had, blijken via het internet op een bepaalde manier toch te bezichtigen.

“Van Eyck. Een optische revolutie” in het Museum voor Schone Kunsten in Gent was groots opgezet met de helft van alle aan Jan van Eyck toegeschreven werken plus werken afkomstig uit zijn atelier en een groot aantal meesterwerken uit dezelfde periode. Op de website kun je foto’s bekijken van de ingerichte museumzalen, kun je delen van de audioguide beluisteren en is er ook een virtuele rondleiding te zien: https://vaneyck2020.be/van-eyck-bij-je-thuis/ De video werd gemaakt door Toerisme Vlaanderen en hierin loop je door de tentoonstelling met een van de curatoren, Till-Holger Borchert (directeur van de Musea Brugge).

De tweede expositie waar ik erg naar uitkeek is “Raffaello 1520-1483” in de Scuderie del Quirinale in Rome. De scuderie zijn tegenwoordig in gebruik als expositieruimte maar waren vroeger de stallen van het Quirinaal-paleis dat er tegenover ligt. Over Raffaello Sanzio (of Rafaël zoals wij hem in Nederland meestal noemen) en de tentoonstelling zijn video’s te zien op hun site: https://www.scuderiequirinale.it/pagine/raffaello-oltre-la-mostra. De meeste filmpjes zijn in het Italiaans maar er is er ook een in het Engels waarbij je door de tentoonstelling kunt ‘lopen’. Raffaello wordt wel eens de beste schilder van de Renaissance genoemd en dat is niet zonder reden. Een overzichtstentoonstelling van zijn late werken in het Louvre in 2012-2103 trok al veel bezoekers (waaronder mijzelf en het was zeer de moeite waard kan ik melden). Ook deze expositie beloofde een enorme publiekstrekker te worden maar helaas zullen we het met de virtuele tour moeten doen.

Het Palazzo del Quirinale was in de tijd van Van Wittel een pauselijke residentie en is meermaals door hem afgebeeld. Dus waarmee kan ik dit stukje anders beëindigen dan een werk van zijn hand 😉

(Maar wel die andere mooie werken van Van Eyck en Raffaello gaan bekijken op het web hoor, zeker de moeite waard!)

Strade di Roma

Vandaag is het 21 april en de ‘verjaardag’ van Rome! Op deze dag wordt de stichting van de stad Rome gevierd (voorheen stond deze dag ook wel bekend als Dies Romana). De festiviteiten zullen dit jaar een stuk soberder zijn dan normaal maar om de stad vandaag toch een beetje in het zonnetje te zetten wilde ik het hebben over een aantal straten in Rome die vernoemd zijn naar ambachten of beroepen die ook een link hebben naar Caspar van Wittel.

De eerste straat is de Via dei Balestrari, deze loopt van de Campo de’ Fiori naar de Piazza della Quercia. Al in de 15eeeuw wordt deze straat genoemd en hij dankt zijn naam aan de kruisboogmakers en -verkopers die hier werkten en in dienst stonden van de “Felice società dei balestrieri e dei pavesati”, de stadsmilitie. Deze Romeinse burgerwacht bestond uit zo’n drieduizend mannen afkomstig uit alle historische wijken van de stad. De kruisboog was in die tijd een bijzonder destructief en effectief wapen omdat het ook de pantsers van krijgslieden kon doorboren en het werd pas afgedankt toen vuurwapens hun intrede deden. In deze straat, ter hoogte van nummer 2, is ook de oudste Romeinse plaquette te vinden die dateert uit 1483. Caspar van Wittel verhuisde een klein jaar voor zijn dood met zijn familie naar een nieuw huis op de Campo de’ Fiori en alhoewel hij hier niet lang heeft gewoond was hij goed bekend in de buurt dus hij zal zeker meer dan eens door deze straat gelopen zijn.

Twee straten verderop vanaf Campo de’Fiori ligt de Via dei Chiavari, die loopt van de Largo dei Chiavari tot aan de Via dei Giubbonari.  De naam van deze straat is afkomstig van de ateliers van smeden die gespecialiseerd waren in de productie van sloten en sleutels. In de zestiende eeuw werden slotenmakers met argwaan bekeken want omdat ze bedreven waren in het openen van sloten en het maken van allerlei soorten sleutels, werden ze er vaak van beschuldigd medeplichtig te zijn van dieven en inbrekers. In de straat zijn veel voorbeelden te vinden van architectuur uit de Renaissance en Barok, inclusief een inscriptie uit 1730 die ervoor waarschuwt dat diegenen die afval achterlaten op de straat een boete te wachten staan.

De twee reeds genoemde straten zijn elkaar verbonden door de Via de Giubbonari, die loopt vanaf de Campo de’Fiori tot de Piazza Benedetto Cairoli. In de middeleeuwen heette deze straat de Via Pelamantelli, omdat er veel ambachtslieden woonden en werkten die wollen en grove stoffen fabriceerden. De naam komt van “gipponi”, korsetten of rijglijven. De makers hiervan werden “Gipponari” genoemd wat later werd verbasterd tot “Giubbonari”. Oorspronkelijk woonde de familie Barberini in deze straat. De bouw van hun huis, het Palazzo Barberini ai Giubbonari (dat ook wel Casa Grande dei Barberini wordt genoemd) werd gestart door Francesco Barberini in 1581 en verder verrijkt in de jaren daarna door zijn neef Maffeo Barberini. Toen deze laatste echter paus werd (onder de naam Urbanus VIII), verhuisde de familie naar het majestueuze gebouw aan de Via Quattro Fontane. (Over Palazzo Barberini schreef ik op 18 juli 2019, zie: https://casparvanwittel.blog/2019/07/18/palazzo-barberini/).

We verlaten de straten rondom de Campo de’ Fiori en steken de Corso Vittorio Emanuele II over om via Piazza Navona bij de Via dei Coronari te komen. In deze straat woonde de schoonvader van Van Wittel met zijn familie (zie ook mijn blog van 3 april 2019: https://casparvanwittel.blog/2019/04/03/caspars-schoonfamilie/). Caspars vrouw Anna woonde hier ook nog tijdelijk na haar huwelijk met hun zoon Luigi in de tijd dat Caspar in Napels voor Luis Francisco de la Cerda werkte en het in Napels te onveilig was om zijn familie bij zich te hebben. De Via dei Coronari loopt van de Piazza di Tor Sanguigna tot aan de Piazza dei Coronari en het was de eerste rechte weg in de wirwar van straatjes van het middeleeuwse Rome. De straat werd geopend door paus Sixtus IV en bestond in de Renaissance uit twee delen: de “Scorticlaria”, vanwege de vele handelaars in lederwaren, en de “Immagine di Ponte”, genoemd naar een klein heilig gebouwtje op een van de straathoeken. De huidige straatnaam komt van de “Coronari”, verkopers van rozenkransen. Zij hadden hun winkels hier omdat de weg heel strategisch gelegen was op de route naar de Sint-Pietersbasiliek en waar dus veel pelgrims langs kwamen.

Musea en collecties online

Nu de musea dicht zijn, is het helaas niet mogelijk om kunstwerken in het echt te (gaan) bekijken. Gelukkig is het tegenwoordig wel mogelijk om meerdere musea via het internet te ‘bezoeken’ of door hun collectie te ‘bladeren’. Daar maak ik zelf ook vaak gebruik van om Van Wittels terug te kunnen vinden en (waar die mogelijkheid er is) de werken tot in alle details te bekijken. Daarom een paar van deze op een rijtje gezet, om vanuit de luie stoel eens lekker doorheen te gaan 😉

De Fondation Custodia, oftewel de Collectie Frits Lugt, in Parijs heeft een eerste deel van haar collectie online beschikbaar gemaakt.  Alle Italiaanse tekeningen van de collectie zijn nu terug te vinden in de online collectie-database (dit zijn ruim 600 objecten): http://collectiononline.fondationcustodia.fr

Als je in deze database de zoekterm “Wittel” invoert komen er vier tekeningen naar voren. Twee tekeningen van Luigi en twee van vader Caspar: https://collectiononline.fondationcustodia.fr/bronnen/drawings/?mode=gallery&view=list&q=Wittel&rows=1&page=1&fq%5B%5D=search_s_category:%22Drawing%22&sort=order_s_preferred_artist%20asc

Een van deze tekeningen (zie de afbeelding bovenaan) is het ontwerp voor de Veduta della strada di Porta Pinciana waar ik al eerder over schreef: https://casparvanwittel.blog/2018/08/23/veduta-della-strada-di-porta-pinciana/

Er zijn meerdere museums en hun collecties online te bekijken, zoals het Metropolitan Museum of Art: https://www.metmuseum.org/art/collection/search?searchField=All&showOnly=openAccess&sortBy=Relevance&offset=0&pageSize=0?perPage=20&searchField=All&showOnly=openAccess&sortBy=Relevance&offset=0&pageSize=0 Zij hebben drie tekeningen van Caspar (zoekterm Wittel) in de collectie maar ook een aantal ontwerptekeningen van Luigi (zoekterm Vanvitelli).

Ook de Uffizi in Florence zijn online te ‘bezoeken’: https://www.uffizi.it/en/online-exhibitions

Wil je in hun collectie zoeken kan dat via een andere pagina en de zoekterm Wittel levert daar maar liefst dertien schilderijen op: http://catalogo.uffizi.it/it/29/ricerca/iccd/?search=Wittel Deze zijn echter alleen in kleine zwart-wit afbeeldingen te zien helaas (ze zijn erg beschermend ten opzichte van hun beeldmateriaal, wil je hier iets van gebruiken moet je daar (flink) voor betalen).

Het laatste museum dat ik wil noemen is het Prado in Madrid. Ook hun collectie is online te raadplegen en zij hebben drie Van Wittels, waaronder de fantastische veduta van de Piazzetta San Marco en het Palazzo Ducale in Venetië (in hoge resolutie, heerlijk als zoekplaatje!): https://www.museodelprado.es/en/the-collection/art-works?searchObras=vanvitelli&cidoc:p14_carried_out_by@@@pm:author@@@ecidoc:p131_E82_p102_has_title=vanvitelli,%20gaspare@en

Caserta-filmpjes

Nu (ook) in Italië iedereen thuis zit, heeft het MiBACT (het Ministero per i beni e le attività culturele e per il turismo, in het Nederlands: het Ministerie voor cultureel erfgoed en activiteiten en voor toerisme) op hun YouTube kanaal veel filmpjes geplaatst van musea en toeristische trekpleisters plus video’s van medewerkers hiervan die vanuit huis werken. Ook van Caserta, het geesteskind van onze vriend Luigi Vanvitelli, staan een aantal video’s online, zie onderstaand (twee korte algemene filmpjes maar ook een lange met een wandeltocht). Voor wie zich verveelt of voor wie zich eventjes wil vergapen 😉

Luigi’s brieven

Het is vandaag de sterfdag van Luigi Vanvitelli. Hij stierf op 1 maart 1773, nu 247 jaar geleden, in Caserta. Hij werkte daar (zoals iedereen natuurlijk weet 😉 ) als architect aan het Koninklijk Paleis van Caserta.

We weten veel van de periode die hij doorbracht in Caserta dankzij de vele brieven die Luigi stuurde. Hiervan zijn een groot aantal bewaard gebleven en deze worden bewaard in het archief van het paleis. Die brieven werden in 1976 al uitgeven in drie zoals dat zo mooi heet ‘kloeke’ delen. Deze heb ik zelf al een aantal jaar op de boekenplank staan en kijk ik regelmatig in, ook in de diverse bibliotheken waar ik onderzoek doe.

Maar nu heeft het archivio storico van het paleis laten weten dat zij Luigi’s brieven hebben laten digitaliseren en dat deze database van brieven binnenkort online kan worden geraadpleegd: https://www.reggiadicaserta.beniculturali.it/digitalizzate-lettere-vanvitelli-archivio-storico/

Heel interessant natuurlijk voor ons als onderzoekers en leuk voor mensen om dan ook het handschrift van Luigi te kunnen zien.

De brieven zijn geschreven tussen 1751 en 1768 en waren voornamelijk gericht aan broer Urbano en Olimpia Starich, Luigi’s vrouw. Onder de gedigitaliseerde brieven is ook de brief van 25 mei 1751:

In de brief aan zijn broer schrijft Luigi over de ontwikkelingen inzake de geplande bouw van het paleis: de omtrek van het paleis moet worden opgemeten, er moeten een bouwmeester en meester-steenhouwer worden aangesteld en Karel van Bourbon, de koning van Napels, zegt een bedrag toe van 50.000 dukaten per jaar voor de bouw. Ook wordt de datum voor de eerstesteenlegging en het ceremonieel daaromheen vastgesteld en wel op 1 januari 1752. De ceremonie zou later worden uitgesteld naar 20 januari omdat dit de verjaardag was van de koning.

Castel Sant’Angelo

Omdat ik vandaag vertrek uit Rome nog een laatste ‘blik’ op de stad en wel op de Engelenburcht. Dit gebouw is bijna net zou oud als de stad Rome zelf en heeft net zo’n roerige geschiedenis.

Het gebouw is opgericht als mausoleum voor de Romeinse keizer Hadrianus (76-138). Hij was een zogenaamde adoptiefkeizer: hij was geen zoon van zijn voorganger Trajanus maar deze laatste was via zijn moederskant een neef van de vader van Hadrianus en had volgens zeggen Hadrianus voor zijn dood aangewezen als opvolger. Hadrianus is denk ik het meest bekend vanwege het feit dat hij het Pantheon herbouwde ofwel om de Hadriaanse muur (de muur in Engeland die de noordelijke grens van het Romeinse Rijk aangaf).

Oorspronkelijk stond het mausoleum (natuurlijk) niet binnen de stad zelf maar in ongeveer 403 werd het opgenomen binnen de Aureliaanse muren in opdracht van keizer Honorius (384-423). Vanaf dat moment werd het een bastion dat de stad moest beschermen en kwam het bolwerk steeds in handen van een andere belangrijke Romeinse familie (die zich daarmee natuurlijk in een betere positie plaatste). In 1277 werd in opdracht van paus Nicolaas III de Passetto di Borgo gebouwd, de ca. 800 meter lange ontsnappingsroute vanaf het Vaticaan naar de Engelenburcht. Dit bleek handig te zijn want meerdere pausen maakten gebruik van de route om naderend gevaar te ontvluchten zoals paus Alexander VI in 1494 toen de Franse troepen de stad binnenvielen (onder Karel VIII) en paus Clemens VII in 1527 tijdens de Plundering van Rome. In 1367 werden de sleutels van het gebouw overgedragen aan paus Urbanus V, omdat toentertijd de pausen resideerden in Avignon en dit was onderdeel van de terugkeer van de paus naar Rome. Pas aan het einde van de 19e eeuw droeg het Vaticaan de burcht over aan het Italiaanse leger en daarna is het in gebruik genomen als museum.

De burcht dankt zijn naam aan het feit dat op kerstdag 590 de aartsengel Michaël boven de burcht zou zijn verschenen. Hij zou zijn zwaard in zijn schede hebben gedaan om te laten zien dat de smeekbede van de toenmalige paus zou worden verhoord om de toen heersende pestepidemie te laten stoppen. Het huidige engelenbeeld bovenop de burcht (waar het zijn naam ook aan dankt) is in 1752 gemaakt door Pieter Antoon Verschaffelt, een Vlaamse beeldhouwer en architect.

En met deze blik op de stad neem ik afscheid van Rome.

Ciao Roma, a la prossima!

Spaanse trappen

Als ik naar de Hertziana-bibliotheek moet, loop ik door Villa Borghese en langs Villa Medici en de kerk Trinità dei Monti. Omdat ik het in mijn vorige bericht over obelisken had en dat de antieke exemplaren op een gegeven moment op waren, moest ik hier aan denken want er staat voor de kerk ook een obelisk, de Obelisco Sallustiano. Deze werd al in de Romeinse tijd gebouwd maar hier pas in 1788 geplaatst in opdracht van paus Pius VI (de obelisk was in 1738 door de familie Ludovisi aan paus Clemens XII geschonken).

De kerk staat bovenaan de Spaanse trappen die in het Italiaans de Scalinata della Trinità dei Monti heet naar de kerk waar de trappen naar toe leiden. De kerk werd gebouwd in opdracht van Lodewijk XII vanaf 1502. De kerk werd pas voltooid in 1587 met de dubbele trap voor de ingang van Domenico Fontana. Al in de 17de eeuw wilden de Fransen de kerk verbinden met het plein beneden waar de Spaanse ambassade was gevestigd. Vandaar dat het plein beneden aan de trappen Piazza di Spagna heet (en de trappen dus de Spaanse Trappen worden genoemd). De Fransen hadden hiervoor een ontwerp bedacht waar zeer prominent een standbeeld van Lodewijk XIV in was opgenomen. Dat zagen ze hier natuurlijk niets zitten dus dat plan ging niet door. In 1723 benoemde paus Innocentius XIII een Italiaanse architect, Francisco de Santis. Deze moest met een plan komen dat voor zowel de Fransen als de Italianen acceptabel was. Uiteindelijk werden de trappen tussen 1723 en 1725 gebouwd, o.a. met geld van de Franse ambassadeur. De trappen bestaan uit 135 treden en drie verschillende terrassen, verwijzend naar de Trinità (de Heilige drie-eenheid).

In de tijd van Claude Lorrain (links, ca. 1650) en de Pianti di Roma van Giovanni Battista Falda (1667) waren de trappen er dus nog niet:

Maar in de tijd van Giovanni Paolo Panini (links, ca. 1756-1758) en de Rome-plattegrond van Nolli (1748) waren ze er wel:

Op alle afbeeldingen is op de Piazza di Spagna al de Fontana della Barcaccia te zien, gemaakt door Pietre Bernini (de vader van de beroemde Gian Lorenzo Bernini).

Maar in de tijd van onze vriend Caspar was er dus nog geen obelisk en waren er ook nog geen trappen: