Luigi’s jonge jaren – vervolg

Begin maart schreef ik naar aanleiding van Luigi’s sterfdag over zijn jonge jaren als architect. Vandaag, op zijn geboortedag, een vervolg daarop. Zoals ik al schreef moest Luigi het afleggen tegen andere architecten bij de door paus Clemens XII georganiseerde ontwerpwedstrijden voor de gevel van de Sint Jan van Lateranen en de Trevifontein. De paus zag echter wel wat in de jonge architect Vanvitelli en compenseerde hem door hem de opdracht te geven de haven van Ancona uit te breiden. Geen loze tegemoetkoming want Ancona was voor de paus van zowel economisch als politiek belang. Dat hij Luigi dit prestigieuze project opdroeg, moet hebben betekend dat de paus vertrouwen had in Luigi’s technische vaardigheden.

Clemens XII had de stad Ancona op 14 februari 1732 tot vrijhaven verklaard om zo een directe handelsroute open te stellen. De paus kwam uit een handelsfamilie en zag de duidelijke economische voordelen van een zeeroute en eventuele nieuwe handelsverdragen die hierdoor mogelijk werden. Vervolgens wilde de paus de haven van Ancona laten uitbreiden en moderniseren. Het eerste onderdeel van de opdracht was de constructie van een (veld)hospitaal, een lazzaretto. Luigi wilde natuurlijk met een gedegen ontwerp over de brug komen dus hij bezocht de ziekenhuizen van Livorno, Genua en Venetië en bestudeerde een jaar lang havens en havengebouwen. Een hele nauwgezette aanpak die kennelijk typisch was voor Luigi want hij stond in zijn tijd al bekend om zijn methodische en gedetailleerde manier van werken. Grappig genoeg werd dat toen ook gezien als een uiting van zijn ‘Hollandse’ genen.

Nadat hij alle benodigde kennis had opgedaan, kwam Luigi met een ontwerp voor een vijfhoekig hospitaalgebouw wat er uitzag als een vestingwerk en zich bevond op een kunstmatig eiland. De bouw verliep voorspoedig, op 25 april 1733 werd de eerste steen gelegd en eind 1734 waren de buitenmuren en de toegangspoort al gereed. En het jaar erop, in 1735, begon Luigi aan het volgende onderdeel van de opdracht: de bouw van een nieuwe pier aan de oostzijde van de haven, de nuovo braccio.

Om de werkzaamheden in Ancona te bekostigen gebruikte de paus de opbrengsten van een openbare loterij die was verboden onder zijn voorganger Benedictus XIII maar nu weer nieuw leven werd ingeblazen. De inwoners van Ancona waren natuurlijk blij met de lokale vooruitgang en de raad besloot de paus te eren met een plaquette in de haven en een borstbeeld in het Palazzo Publico. Vervolgens kregen ze het idee een standbeeld van Clemens XII te laten oprichten op de nieuwe pier. De paus gaf echter geen toestemming voor de benodigde extra uitgaven. Maar ruim een jaar later kreeg de stad alsnog haar beeld want de paus gaf hen een beeld van hemzelf cadeau dat tot dan toe in de voorhal van de Sint Jan van Lateranen had gestaan.

In het ontwerp van Vanvitelli voor de nieuwe pier was een vuurtoren opgenomen aan het einde van de pier en aan het begin zou een ereboog komen als toegangspoort. Deze Arco Clementino zou bekroond worden met een sculptuur van een gezeten Clemens XII die een zegenend gebaar maakte. Of dit hetzelfde beeld was als datgene wat de paus aan Ancona schonk, is niet duidelijk. De ontwerptekening voor de pier met het beeld op de boog en het echte standbeeld komen sterk overeen, maar het beeld van de paus is nooit op de boog geplaatst. Het zou uiteindelijk terechtkomen op de Piazza del Plebiscito, waar het nog steeds te vinden is.

Inderdaad moest Luigi bij het havenproject al zijn technische capaciteiten aanwenden. Naarmate de pier verder werd uitgebouwd werd het water steeds dieper en Luigi moest overstappen van een paalfundering naar een fundering met caissons. Alhoewel de eerste plaatsing van deze zinkkisten succesvol was, mislukte vervolgens de tweede plaatsing. Hierna werd geen nieuwe fundering meer geplaatst en werd verdere uitbouw van de pier uitgesteld. Het was toen inmiddels al 1738 en Luigi keerde kort daarop terug naar Rome. In februari 1740 overleed Clemens XII en hij werd opgevolgd door een ander paus met andere prioriteiten. Voor Luigi waren het ook niet de makkelijkste jaren want kort daarvoor waren helaas zijn ouders Caspar en Anna overleden. Het zal voor hem fijn zijn geweest terug te kunnen keren naar zijn broer en zus in Rome.

Luigi’s jonge architectenjaren

Vorige week maandag was de sterfdag van Luigi Vanvitelli, hij stierf op 1 maart 1773 in Caserta (toen onderdeel van het koninkrijk Napels). Omdat ik al een paar keer heb geschreven over Luigi’s werk als architect van het paleis van Caserta en de relatie met zijn toenmalige opdrachtgever Karel van Bourbon, leek het me leuk ook eens wat meer te vertellen over zijn jeugd.

Luigi werd, zoals we inmiddels wel weten, geboren in Napels omdat vader Caspar daar in die tijd werkte voor Luis Francisco de la Cerda, de 9e hertog van Medinaceli en onderkoning van Napels. Aangezien het politieke klimaat als snel onrustig werd, besloot Caspar zijn vrouw Anna en hun zoon terug te brengen naar Rome waar zij onderdak vonden bij Caspars schoonvader Giovanni Andrea Lorenzani. Caspar zelf had nog werk in Napels en reisde heen en weer tussen beide steden.

Eerder heb ik al eens een stukje gedeeld over Luigi’s jeugd en opleiding maar voor de volledigheid van het verhaal hier er nog maar een keer in het kort ook bij. Van jongs af aan had Luigi belangstelling voor kunst en in het huis van zijn grootvader waren poëzie, muziek, literaire debatten en uitvoeringen een dagelijkse gewoonte. Toen hij twaalf jaar oud was, stierf zijn grootvader maar kennelijk zag hij veel in de jonge Luigi want hij liet hem een groot deel van zijn enorme collectie manuscripten en boeken na. Aanvankelijk werd de jonge Luigi door zijn vader opgeleid in de traditionele schilderkunst maar al snel wijdde hij zich ook aan het bestuderen van de architectuur. Waarschijnlijk eerst vooral via zelfstudie maar ook middels contacten met architecten met wie zijn vader banden onderhield, zoals bij voorbeeld Filippo Juvarra (1678-1736). Juvarra was een Siciliaanse architect die zich in 1703 in Rome vestigde en uit bronnen weten we dat hij voor Luigi, in zijn jonge jaren maar ook op latere leeftijd, zowel een voorbeeld als een inspiratiebron was. Luigi’s kleinzoon Luigi Vanvitelli junior schreef later een biografie over zijn grootvader (gepubliceerd in 1823) waarin hij beschreef dat Luigi al op jonge leeftijd wis- en natuurkunde studeerde, wetenschappen die een architect diende te beheersen bij het uitoefenen van zijn vak. Het kan ook goed zijn dat Luigi technische vaardigheden werden bijgebracht door zijn vader of de Nederlandse ingenieur Cornelis Meyer (voor meer info over Meyer, zie mijn eerdere blogs op 8, 18 en 23 juli 2017).

Zijn officiële opleiding tot kunstenaar kreeg Luigi aan de Academie van St. Lucas, de kunstacademie van Rome, maar hier is verder weinig over bekend. Wel gedocumenteerd is het begin van zijn professionele carrière bij de bouwfabriek van de Sint-Pieter, waar hij vanaf 1724 werkte als kopiist van mozaïeken. Twee jaar later, in 1726, werd Luigi daar assistent van hoofdarchitect Antonio Valeri, die op zijn beurt was opgeleid door Bernini. Er waren in deze periode weinig grote bouwwerkzaamheden en Luigi was natuurlijk ook nog maar een beginnend architect maar na het aantreden van de volgende paus in 1730 kon hij zijn eerste openbare projecten ondernemen. Paus Clemens XII had een grote belangstelling voor literatuur en de kunsten en (in tegenstelling tot zijn voorgangers) kende hij veel kunstenaars ook persoonlijk. Al heeft hij als paus op religieus en politiek vlak weinig kunnen betekenen, de stad Rome werd er onder zijn pontificaat wel fraaier op.

Clemens XII

De eerste opdracht die Vanvitelli van Clemens XII kreeg, was de bouw van een waterleiding om water uit een bron bij Ciampino in Grottaferrata twee kilometer verder naar de plaats Vermicino in Frascati te leiden. De paus wilde de agrarische productie van de regio verhogen en de fontein waar het water zou uitkomen zou gemakkelijk zijn voor reizigers die door Vermicino trokken. Luigi kreeg deze taak in 1731 toebedeeld omdat hij op dat moment binnen de Sint-Pieter de verantwoordelijk architect was voor het district Frascati. Het kan zijn dat Luigi bij dit project heeft samengewerkt met de architect Nicola Salvi (1679-1751) met wie hij bevriend was geraakt. Maar dit was natuurlijk nog maar een project op kleine schaal, Luigi bereikte pas een groot publiek bij de door dezelfde paus georganiseerde ontwerpwedstrijden.

In 1706 had de eerdere paus Clemens XI (paus van 1700 tot 1721) al een competitie uitgeschreven voor twee projecten: de gevel van de Sint Jan van Lateranen en een project voor een façadefontein (de latere Trevifontein). Geen van de ontwerpen die werden ingediend voor dat Concorso Clementino werden door Clemens XI goedgekeurd en hij wijdde zich vervolgens aan andere projecten. Clemens XII besloot de plannen weer op te pakken en in 1732 werd het nieuwe concours voor de façade van de Sint Jan van Lateranen uitgeschreven. Onder de deelnemers aan de wedstrijd waren in ieder geval Alessandro Galilei (1691-1737), Vanvitelli en Salvi. Er werden 27 tekeningen en modellen ingediend en de bedoeling was dat deze beoordeeld zouden worden door een commissie van acht kunstenaars, allemaal lid van de Academie van St. Lucas. Paus Clemens XII echter had zijn eigen ideeën: hij stelde nogal hoge eisen aan de ontwerpen omdat hij door middel van de bouwkunst de representatieve functie van Rome wilde vernieuwen. En hij was ervan overtuigd dat zijn plannen het beste konden worden verbeeld door Florentijnse architecten als Galilei en Ferdinando Fuga (1699-1782), de paus was namelijk zelf (en waarom verbaast ons dit niet?) van Florentijnse komaf. Er zijn aanwijzingen dat de selectiecommissie een voorkeur zou hebben gehad voor het ontwerp van Luigi (de afbeelding bovenaan dit stuk), maar de beslissing was in feite al genomen: de paus kende de opdracht in september 1732 officieel toe aan Galilei. Een handige keuze want Galilei was in december 1731 in opdracht van de paus toch al aan het werk gegaan in de Sint Jan van Lateranen, namelijk voor de bouw van de grafkapel van de paus (de Corsinikapel).

Ontwerp voor de Trevifontein van Nicola Salvi 1733

Bij het volgende concours had Luigi wederom geen geluk. Bij de wedstrijd voor de Trevifontein waren opnieuw alle belangrijke architecten in Rome uitgenodigd om mee te doen en voor het ontwerp waren er geen restricties behalve dan dat de façade van paleis Conti gebruikt moest worden in het ontwerp. Paus Clemens XII was dan wel van goede wil om Rome van weer een mooi nieuw bouwwerk te voorzien, hij maakte zich er niet al te moeilijk van af: hij liet de fontein niet op een wat gunstiger locatie bouwen of een groter plein rondom de fontein creëren (al had dit laatste natuurkijk wel betekend dat hij dan een aantal huizen had moeten laten slopen). Er werden zestien ontwerpen ingediend en tentoongesteld voor het publiek in een galerij op de Campidoglio. De eerste prijs ging unaniem naar het ontwerp van een Fransman maar dat besluit werd kort daarop teruggedraaid. Waarschijnlijk omdat de Romeinse artistieke kringen het er niet bijster mee eens waren dat zo’n belangrijke opdracht (voor de tweede keer) naar een buitenlander ging. Vervolgens werd het project van Luigi geaccepteerd, maar na enkele weken onduidelijkheid werd ook zijn ontwerp opzijgeschoven. Uiteindelijk kende de paus in september 1732 de opdracht definitief toe aan Salvi. Zijn ontwerp was vermoedelijk voor de paus een acceptabel compromis tussen de meer hervormende Toscaanse stijl die hij zelf het liefst zag en de meer traditionele stijl van de Romeinse kunstenaars. Er zijn aanwijzingen dat Salvi bij de uitvoering van dit project geholpen werd door Luigi maar zeker weten doen we het niet helaas. Wat mij er natuurlijk niet van weerhoudt om in Rome altijd even langs de Trevifontein te gaan 😉

Eerste steenlegging Caserta

Wat is het alweer ongelooflijk lang geleden dat ik iets schreef op dit blog. Ja, dat doet een wereldwijde epidemie helaas. Maar omdat het vandaag een bijzondere dag is, wilde ik toch graag weer eens iets van me laten horen. Het is namelijk vandaag 269 jaar geleden dat de eerste steen werd gelegd voor de bouw van het paleis van Caserta, het meesterwerk van Caspars zoon Luigi.

Het paleis van Caserta werd gebouwd in opdracht van Karel van Bourbon, die in 1735 de nieuwe koning van Napels en Sicilië was geworden. Karel was de zoon van de Spaanse koning Filips V en zijn tweede vrouw, de Italiaanse Elisabetta Farnese. Zijn moeder had grootse plannen voor hem ook al was hij ‘slechts’ vierde in de lijn van de Spaanse troonopvolging. Via haar familiebanden kwam de jonge Karel naar Italië en veroverde hij Napels en Sicilië, waar hij (na meer dan twee eeuwen Spaanse en Oostenrijkse overheersing) een onafhankelijk koninkrijk stichtte. Karel was toen nog erg jong, pas achttien jaar, maar hij ging direct voortvarend aan de slag. Het nieuwgevormde koninkrijk was in zeer slechte economische staat was en Karel begon direct belangrijke hervormingen door te voeren. Hij verminderde de privileges van de geestelijkheid en hervormde het feodale systeem (onder andere door de boeren meer rechten te verlenen). Tevens richtte hij meerdere koninklijke fabrieken op, zoals in porselein, tapijten, en kristal.

Karel van Bourbon

Daarnaast wilde hij, gewend als hij was aan een ‘royale’ omgeving, de hoofdstad verfraaien. Onder zijn invloed begon de lokale architecturale smaak te veranderen en werd de wat provinciale Napolitaanse stijl vervangen door een meer internationale en klassieke stijl. De koning liet meerdere bouwwerken oprichten (paleizen maar ook bijvoorbeeld een groot onderkomen voor de armen) en vond het prettig omringd te worden door architecten, schilders en andere kunstenaars. Karel koos ervoor om in Caserta zijn toekomstige residentie te laten bouwen. Waarschijnlijk in eerste instantie omdat dit op veilige afstand was van zowel de Vesuvius als de zee. Niet alleen de vulkaan vormde een gevaar, nog maar een paar jaar daarvoor was de Engelse vloot de baai van Napels zonder al te veel moeilijkheden komen binnenvaren en hij wilde natuurlijk niet al te onbeschermd zijn in zijn nieuwe paleis. Maar het kan ook goed zijn dat de omgeving hem deed denken aan het Spaanse landschap, Karel had al sinds zijn aantreden een jachthuis in Caserta (de koning was een fervent jager en was ervan overtuigd dat een gezond leven met veel buitenlucht hem gezond van geest en lichaam zou houden). En uiteindelijk zal het feit dat hij Lodewijk XIV en zijn magnifieke paleis van Versailles wilde evenaren zeker ook hebben meegespeeld natuurlijk!

Het nieuwe paleis moest zowel in concept als uitvoering groots worden, het toppunt van Karels bouwactiviteiten. Pracht en praal waren belangrijker dan comfort en gemak en dat klinkt inderdaad verdacht veel als een tweede Versailles 😉 In eerste instantie had Karel zich gewend tot de Napolitaanse architect Mario Gioffredo, maar zijn plannen werden steeds grootser en Karel kreeg behoefte aan een meer ervaren architect om zijn ideeën te realiseren. Hij richtte zijn blik dan ook op Rome, waar de beste architecten van die tijd werkzaam waren.  Luigi Vanvitelli was op dat moment een van de bekendste architecten van Rome met een goede staat van dienst en reputatie en het was dus geen wonder dat Karel hem graag als zijn hofarchitect wilde hebben. Luigi arriveerde in 1751 in Napels en de koning en hij hadden vanaf het begin een goede verstandhouding. Luigi was veelvuldig aanwezig bij belangrijke ceremoniën, sprak op informele wijze met de koning en koningin, werd vaak uitgenodigd voor diners met belangrijke gasten en kreeg zelfs de gelegenheid deel te nemen aan jachtpartijen, de meeste geliefde bezigheid van de koning.

In november van datzelfde jaar presenteerde Vanvitelli zijn ontwerpen voor het nieuwe koninklijke onderkomen aan Karel van Bourbon en zijn vrouw. (Over de uitgave met deze tekeningen heb ik al eens eerder iets geschreven https://casparvanwittel.blog/2020/05/12/luigi-en-zijn-boeken/ maar hier zal ik ook nog wel eens in wat meer detail op terugkomen een keer.)  Vervolgens kon de architect snel aan de slag met de daadwerkelijke bouwwerkzaamheden want kort daarna, op 20 januari 1752, werd de eerste steen voor het omvangrijke paleis gelegd. Er was voor deze datum gekozen omdat dit de 36e verjaardag van de koning was. Na de uitvoerige ceremonie gaf Karel de zilveren troffel en hamer die hij hierbij had gebruikt cadeau aan Luigi. Tevens kreeg de architect 1000 dukaten als een persoonlijke gift van de koning. In de troonzaal van het paleis is nu nog steeds een plafondschildering te zien die deze gebeurtenis verbeeld. En daarop is natuurlijk ook onze vriend Luigi te zien, hij staat iets links van het midden in de bruine overjas met de bouwplannen in zijn rechterhand.

Op reis

Gisterochtend zou ik weer in het vliegtuig zijn gestapt om drie weken onderzoek te gaan doen in Rome maar helaas kon deze reis door alle omstandigheden nu niet doorgaan. Om het dan maar in een positief licht te bezien, wilde ik van de gelegenheid gebruik maken om het vandaag te hebben over de reizen die Caspar in zijn leven heeft afgelegd.

De eerste grote reis die de jonge Caspar ondernam was natuurlijk die naar Italië. Hoe de tocht precies is verlopen weten we niet maar volgens Van Wittels eerste biograaf Lione Pascoli ging de reis via Venetië, Ferrara, Bologna en Florence naar Rome. Meer informatie hebben we over een andere schilder die rond dezelfde tijd ook de reis naar Rome ondernam, Abraham Genoels. Van Wittel kende Genoels want in januari 1675 ondertekende Van Wittel de brief waarmee Genoels, afkomstig uit Antwerpen, toetrad tot het kunstenaarsgezelschap de Bentvueghels. De reis naar Rome van Genoels werd beschreven door Arnold Houbraken in zijn standaardwerk De Groote Schouburgh der Nederlantsche Konstschilders en Schilderessen. Houbraken vertelt dat Genoels op de 8e van de herfstmaand (september) in het jaar 1674 vertrok uit Antwerpen. De schilder reisde naar Keulen en vanaf daar per schip naar Frankfurt, per koets verder naar Augsburg en vervolgens te paard via Tirol naar Mestre om vanaf daar per schip naar Venetië te reizen. Na een stop in de lagunestad vervolgde het gezelschap haar weg langs Ferrara en Bologna, te paard naar Loreto en tenslotte via andere kleine steden naar Rome waar men op de 4e van de slachtmaand, oftewel 4 november, aankwam. Waarschijnlijk is het inderdaad zo gegaan want Houbraken baseert zich op Genoels zelf, hij schrijft: “dus heeft hy ’t my in een brief op gegeven”. Een reis naar Italië ging in die tijd altijd met een groep van reizigers. Edelen, ambassadeurs en andere hogere heren ondernamen de reis niet zonder een complete entourage en (jonge) kunstenaars die de tocht wilden ondernemen sloten zich vaak aan bij een reeds bestaand reisgezelschap. Dit bood hen gezelschap maar ook bescherming want in die tijd was de reis niet zonder gevaren.

Van Wittel zal de reis dus niet alleen hebben ondernomen. Naar we aannemen vertrok Van Wittel uit Amersfoort met een andere leerling van Withoos, Jacob van Staverden maar zij zullen zich vervolgens bij een groter gezelschap hebben aangesloten. Hoe dan ook kwam Van Wittel de Eeuwige Stad binnen via de Via Flaminia. De gebruikelijke entreeroute vanuit het noorden de stad in was via de Porta del Popolo. Het plein was toen nog niet geplaveid (Van Wittels veduta is van een latere datum, de tweelingkerken werden respectievelijk voltooid in 1675 en 1681):

Van Wittel zou het grootste deel van zijn leven in Rome blijven wonen, maar hij ondernam zeker twee keer in zijn leven een reis naar Noord-Italië, in 1690 en 1694. Tijdens de eerste reis bezocht de schilder in ieder geval Lombardije, dit weten we omdat er veel tekeningen en ook een aantal schilderijen zijn van Lago Maggiore en de Borromeïsche eilanden. De tweede rondreis, vanaf 1694, duurde langer, waarschijnlijk een aantal jaar en was in ieder geval uitgebreider. Van Wittel reisde eerst naar Florence, waar hij werken afleverde voor de groothertog van Toscane. Daarna bezocht hij de steden Bologna, Ferrara en Venetië, waar hij vedute schilderde voor verschillende adellijke families. Pascoli schreef dat Van Wittel de tweede reis ondernam ter ontspanning en educatie, maar hij was er kennelijk ook om zijn werken aan de man te brengen. Na Venetië reisde Van Wittel door naar Milaan waar hij ook weer verschillende opdrachten kreeg. Over deze opdrachten is niets bekend, behalve de melding van Pascoli dat Van Wittel werkte voor heren die hem beschaafd behandelden (“… perché lavorò per alcuni di que’ Cavalieri che le trattarono signorilmente.”). 

Tenslotte reisde Caspar via Piacenza weer terug naar Rome waar hij in februari 1697 trouwde. Twee jaar later verliet het jonge echtpaar de stad om naar Napels te vertrekken. Van Wittel was door de Spaanse onderkoning van Napels uitgenodigd om naar het koninkrijk te komen, hij gaf Van Wittel de opdracht zijn privé-appartementen in het paleis te decoreren. In Napels werd Caspars zoon Luigi geboren, zoals ik van de week al schreef, op 12 mei 1700. Moeder en zoon bleven niet lang in Napels want in het voorjaar van 1701 werd het er politiek behoorlijk onrustig en besloot Van Wittel beide terug te brengen naar Rome. Hij bracht ze onder dak bij zijn schoonvader maar bleef zelf heen en weer reizen tussen beide steden omdat hij nog werk had in Napels. Het najaar er op werd de situatie steeds nijpender en uiteindelijk werd Van Wittels opdrachtgever zelfs ontslagen van zijn diensten als onderkoning. Nadat hij in het voorjaar van 1702 terugging naar Spanje, besloot Van Wittel zijn voorbeeld te volgen en definitief terug te keren naar zijn familie in Rome.

Luigi en ‘zijn’ boeken

Omdat het zijn verjaardag is, vandaag weer een klein verhaaltje over Luigi. Hij werd op 12 mei 1700 geboren in Napels maar zijn vader bracht hem al snel met zijn moeder terug naar Rome omdat het politieke klimaat in Napels behoorlijk onrustig werd. Luigi zou echter later in zijn leven terugkeren naar Napels om te gaan werken voor Karel van Bourbon voor wie hij het prachtige paleis van Caserta ontwierp. 

Luigi Vanvitelli kon het goed vinden met de koning van Napels en voelde zich ook door hem beschermd. De goede verstandhouding tussen de koning en zijn architect werd waarschijnlijk bevorderd door het feit dat beide heren een brede kennis en interesse hadden. Zo hadden zij allebei een grote belangstelling voor de literatuur. Karel van Bourbon stichtte in Napels ook een koninklijke uitgeverij, de Stamperia reale. Een onderneming die op grote sympathie en steun van de geletterde Vanvitelli kon rekenen. Luigi was namelijk een groot liefhebber van boeken, eigenlijk al sinds hij op jonge leeftijd een deel van de collectie van zijn grootvader erfde. Hij las boeken om zijn kennis uit te breiden maar accepteerde daarbij niet altijd zonder meer wat hij las. Zijn hele leven kocht hij manuscripten en gedrukte illustraties aan op allerlei gebieden. En hij hield zelfs notitieboeken bij over zijn ervaringen met de diverse publicaties. In Napels gebruikte hij zijn bibliotheek om met de koning te kunnen converseren en hem van advies te dienen op allerlei gebieden. Zo las hij bijvoorbeeld meerdere boeken over de antieke wereld naar aanleiding van de opgravingen bij Herculaneum. 

Nadat Karel van Bourbon de koninklijke uitgeverij had opgericht, vroeg hij Vanvitelli hem te helpen door het allerbeste papier in te kopen, gravures en drukwerk te controleren en zelfs typografie, kapitalen en illustraties te ontwerpen voor belangrijke uitgaven. Zo ontwierp Luigi  parlanti voor de publicatie van Le Antichità di Ercolano Esposte (‘De antiquiteiten van Herculaneum geopenbaard’). Deze parlanti zijn geïllustreerde initialen versierd met een figuratieve afbeelding waarvan de naam begint met de letter zelf. In het manuscript zijn er maar liefst 540 van deze ‘sprekende initialen’ die werden ontworpen door Luigi en gegraveerd door Carlo Nolli. 

Le Antichità di Ercolano Esposte werd gepubliceerd tussen 1757 en 1792 en bestaat uit acht delen met allerlei gravures van de bevindingen van het opgraven van de ruïnes van Herculaneum in het Koninkrijk Napels plus objecten van alle opgravingen die de Bourbons rond de Golf van Napels ondernamen inclusief Pompeii). Exemplaren van het boek werden naar allerlei belangrijke ontvangers in heel Europe gezonden.

Al eerder, in 1756, werd bij de koninklijke uitgeverij ook Luigi Vanvitelli’s Dichiarazione gedrukt, een uitgave met de ontwerpen voor het paleis van Caserta. In januari 1751 had Luigi een groot aantal etsen gemaakt van zijn ontwerpen, op verzoek van de koning en zijn vrouw. Ze wilden namelijk niet alleen een paleis hebben dat alle andere in Europa zou overtreffen, maar ook dat dit in Europa algemeen bekend was. Het boek met ontwerpen moest natuurlijk ook opvallen tussen andere publicaties en Karel van Bourbon en zijn vrouw bemoeiden zich dan ook intensief met de uitgave. Zo inspecteerden ze bijvoorbeeld zelf de pagina’s. De koning zond exemplaren van de publicatie naar meerdere Europese hoven, waaronder naar de vader van de koningin, de koning van Polen.  Ook Luigi zelf was trots op de publicatie, hij zond een aantal kopieen van ‘zijn’ boek over Caserta naar belangrijke vrienden en zijn broer Urbano in Rome. Zijn eigen exemplaar liet hij uiteindelijk na aan de Academie van Sint Lucas in Rome.

Flavio Orsini

Van de ontwerptekening die boven aan mijn blog van zaterdag 18 april 2020 staat, heeft onze vriend Caspar voor zover wij weten slechts één enkel schilderij gemaakt. Dit schilderij, de Veduta della Strada di Porta Pincina hangt in het Museo di Roma in Palazzo Braschi. Op de plek van dit museum stond in de tijd dat Van Wittel in Rome rondliep de zogenaamde ‘Torre Orsini’. In mijn lezingen vertel ik over de Genuese kunsthandelaar Pellegrino Peri (voor wie Caspar ergens in zijn eerste jaren in Rome werkte) die zijn bottega gevestigd had in dit gebouw. Hier wordt namelijk naar verwezen als “sotto il Palazzo del Duca di Bracciano” en de hertog van Bracciano was een Orsini. Tenminste, tot 1696, toen de laatste hertog (en prins) Flavio Orsini zich onder een enorme schuldenlast gedwongen zag het paleis en de hertogelijke titel te verkopen aan Livio Odescalchi (ons ook wel bekend als een van Caspars belangrijkste opdrachtgevers).

Flavio Orsini (1620-1698) werd in Rome geboren als tweede zoon van de toenmalige hertog van Bracciano, Ferdinando Orsini, die behoorde tot de meest illustere en machtige tak van de toch al zeer belangrijke Orsini-familie. Hij trouwde twee keer, in 1642 met Ippolita Ludovisi en nadat hij weduwnaar was geworden, in 1674 met Marie-Anne de la Trémoille. Dit laatste huwelijk duurde maar liefst 23 jaar maar daarvan brachten zij er maar negen samen door omdat Marie-Anne nogal vaak te vinden was aan het hof van Lodewijk XIV om daar de belangen van haar en haar man te verdedigen. Flavio Orsini woonde afwisselend in het familiepaleis aan de zuidkant van Piazza Navona (wat overigens ook wel het palazzo ‘a Pasquino’ werd genoemd omdat het beroemde pratende beeld hier vlakbij stond) en het paleis in Bracciano.

Bij de dood van zijn vader in 1660, werd Flavio Orsini de vijfde hertog van Bracciano maar daarnaast had hij nog veel andere titels zoals hertog van Sangemini, prins van Nerola, prins van Scandriglia en hij was een grande van Spanje (hoge adel). Met prins Colonna (ja, die ja) deelde hij de eretitel van principe assistente al Soglio Ponteficio, wat zoveel betekende als dat de beide heren het recht hadden afwisselend tijdens plechtigheden aan de rechterzijde van de paus plaats te nemen. Hij had ook vanaf 1653 de rang van buitenlandse prins aan het hof van Turijn en werd in 1671 de Venetiaanse adelstand toegekend.

Paleis van Bracciano

Flavio Orsini stond in het middelpunt van een uitgestrekt netwerk van correspondentie tussen Europese rechtbanken, waaronder die van Parijs, Wenen en Madrid. Daardoor kon hij als bemiddelaar optreden aan de verschillende buitenlandse en pauselijke rechtbanken. Zoals gezegd hadden hij en zijn tweede vrouw goede banden met het Franse hof en in Rome werd hij beschouwd als het hoofd van de pro-Franse fractie. Binnen de Romeinse adel waren er grofweg twee tegengestelde kampen, de pro-Franse en de pro-Spaanse, die afwisselend de boventoon voerden. Wisseling van de macht was meestal het directe gevolg van de overgang van de ene naar de andere paus. Orsini’s uitdrukkelijke standpunten brachten hem echter nogal eens in moeilijkheden aan het pauselijke hof en in 1688 werd hij zelfs gedwongen van partij te veranderen. Lodewijk XIV reageerde daar op door het pensioen dat hij eerder in 1666 aan Orsini had toegekend uit te keren aan de arme bevolking van Rome.

Flavio Orsini verwaarloosde zijn familiebezittingen en was qua gezondheid zeer onstabiel, wat voortdurend financiële moeilijkheden veroorzaakte en uiteindelijk tot een faillissement leidde. In 1678 moest hij het familiepaleis in Rome te koop zetten, maar in eerste instantie vond hij hier geen kopers voor. Daarop verkocht hij eerst een aantal andere landeigendommen van de familie maar het mocht niet baten en in 1690 ging dan toch het paleis in Rome over in de handen van Livio Odescalchi.

Flavio Orsini was een groot muziekliefhebber en had meerdere muzikanten in dienst. Hij schreef ook zelf libretto’s en andere teksten om op muziek gezet te worden. Onder de door Orsini beschermde muzikanten waren Alessandro Stradella, Ercole Bernabei, Alessandro Scarlatti, Bernardino Pasquini en Paolo Lorenzani (om er maar een paar te noemen).

Hé, maar wacht eens even, die naam Lorenzani kennen we toch? Jazeker, Paolo Lorenzani was de broer van Giovanni Lorenzani, Caspars schoonvader. Sterker nog, Caspar schoonvader schreef theaterstukken die opgevoerd werden bij belangrijke gelegenheden zoals jawel, het huwelijk van Flavio Orsini in 1675.

En zo zijn we weer beland bij Caspar zelf die onderstaand schilderij maakte van de (omgeving van de) Chiesa di Santi Marcellino e Pietro, waar Flavio Orsini een van de beschermheren van was.

Te zien of niet te zien…

Afgelopen jaar was natuurlijk mijn top-tentoonstellingen-jaar ooit door de Maestro Van Wittel-tentoonstelling in Amersfoort. Dit jaar stonden er echter ook een paar mooie tentoonstellingen op het programma, waarvan er twee waren waar ik bijzonder naar uitkeek. Helaas is het in deze bizarre Corona-tijden niet mogelijk om al die mooie werken te bewonderen.. Of toch wel?

Zoals ik al eerder schreef, openen veel musea virtueel hun deuren en ook de twee exposities waar ik al kaartjes voor had, blijken via het internet op een bepaalde manier toch te bezichtigen.

“Van Eyck. Een optische revolutie” in het Museum voor Schone Kunsten in Gent was groots opgezet met de helft van alle aan Jan van Eyck toegeschreven werken plus werken afkomstig uit zijn atelier en een groot aantal meesterwerken uit dezelfde periode. Op de website kun je foto’s bekijken van de ingerichte museumzalen, kun je delen van de audioguide beluisteren en is er ook een virtuele rondleiding te zien: https://vaneyck2020.be/van-eyck-bij-je-thuis/ De video werd gemaakt door Toerisme Vlaanderen en hierin loop je door de tentoonstelling met een van de curatoren, Till-Holger Borchert (directeur van de Musea Brugge).

De tweede expositie waar ik erg naar uitkeek is “Raffaello 1520-1483” in de Scuderie del Quirinale in Rome. De scuderie zijn tegenwoordig in gebruik als expositieruimte maar waren vroeger de stallen van het Quirinaal-paleis dat er tegenover ligt. Over Raffaello Sanzio (of Rafaël zoals wij hem in Nederland meestal noemen) en de tentoonstelling zijn video’s te zien op hun site: https://www.scuderiequirinale.it/pagine/raffaello-oltre-la-mostra. De meeste filmpjes zijn in het Italiaans maar er is er ook een in het Engels waarbij je door de tentoonstelling kunt ‘lopen’. Raffaello wordt wel eens de beste schilder van de Renaissance genoemd en dat is niet zonder reden. Een overzichtstentoonstelling van zijn late werken in het Louvre in 2012-2103 trok al veel bezoekers (waaronder mijzelf en het was zeer de moeite waard kan ik melden). Ook deze expositie beloofde een enorme publiekstrekker te worden maar helaas zullen we het met de virtuele tour moeten doen.

Het Palazzo del Quirinale was in de tijd van Van Wittel een pauselijke residentie en is meermaals door hem afgebeeld. Dus waarmee kan ik dit stukje anders beëindigen dan een werk van zijn hand 😉

(Maar wel die andere mooie werken van Van Eyck en Raffaello gaan bekijken op het web hoor, zeker de moeite waard!)

Strade di Roma

Vandaag is het 21 april en de ‘verjaardag’ van Rome! Op deze dag wordt de stichting van de stad Rome gevierd (voorheen stond deze dag ook wel bekend als Dies Romana). De festiviteiten zullen dit jaar een stuk soberder zijn dan normaal maar om de stad vandaag toch een beetje in het zonnetje te zetten wilde ik het hebben over een aantal straten in Rome die vernoemd zijn naar ambachten of beroepen die ook een link hebben naar Caspar van Wittel.

De eerste straat is de Via dei Balestrari, deze loopt van de Campo de’ Fiori naar de Piazza della Quercia. Al in de 15eeeuw wordt deze straat genoemd en hij dankt zijn naam aan de kruisboogmakers en -verkopers die hier werkten en in dienst stonden van de “Felice società dei balestrieri e dei pavesati”, de stadsmilitie. Deze Romeinse burgerwacht bestond uit zo’n drieduizend mannen afkomstig uit alle historische wijken van de stad. De kruisboog was in die tijd een bijzonder destructief en effectief wapen omdat het ook de pantsers van krijgslieden kon doorboren en het werd pas afgedankt toen vuurwapens hun intrede deden. In deze straat, ter hoogte van nummer 2, is ook de oudste Romeinse plaquette te vinden die dateert uit 1483. Caspar van Wittel verhuisde een klein jaar voor zijn dood met zijn familie naar een nieuw huis op de Campo de’ Fiori en alhoewel hij hier niet lang heeft gewoond was hij goed bekend in de buurt dus hij zal zeker meer dan eens door deze straat gelopen zijn.

Twee straten verderop vanaf Campo de’Fiori ligt de Via dei Chiavari, die loopt van de Largo dei Chiavari tot aan de Via dei Giubbonari.  De naam van deze straat is afkomstig van de ateliers van smeden die gespecialiseerd waren in de productie van sloten en sleutels. In de zestiende eeuw werden slotenmakers met argwaan bekeken want omdat ze bedreven waren in het openen van sloten en het maken van allerlei soorten sleutels, werden ze er vaak van beschuldigd medeplichtig te zijn van dieven en inbrekers. In de straat zijn veel voorbeelden te vinden van architectuur uit de Renaissance en Barok, inclusief een inscriptie uit 1730 die ervoor waarschuwt dat diegenen die afval achterlaten op de straat een boete te wachten staan.

De twee reeds genoemde straten zijn elkaar verbonden door de Via de Giubbonari, die loopt vanaf de Campo de’Fiori tot de Piazza Benedetto Cairoli. In de middeleeuwen heette deze straat de Via Pelamantelli, omdat er veel ambachtslieden woonden en werkten die wollen en grove stoffen fabriceerden. De naam komt van “gipponi”, korsetten of rijglijven. De makers hiervan werden “Gipponari” genoemd wat later werd verbasterd tot “Giubbonari”. Oorspronkelijk woonde de familie Barberini in deze straat. De bouw van hun huis, het Palazzo Barberini ai Giubbonari (dat ook wel Casa Grande dei Barberini wordt genoemd) werd gestart door Francesco Barberini in 1581 en verder verrijkt in de jaren daarna door zijn neef Maffeo Barberini. Toen deze laatste echter paus werd (onder de naam Urbanus VIII), verhuisde de familie naar het majestueuze gebouw aan de Via Quattro Fontane. (Over Palazzo Barberini schreef ik op 18 juli 2019, zie: https://casparvanwittel.blog/2019/07/18/palazzo-barberini/).

We verlaten de straten rondom de Campo de’ Fiori en steken de Corso Vittorio Emanuele II over om via Piazza Navona bij de Via dei Coronari te komen. In deze straat woonde de schoonvader van Van Wittel met zijn familie (zie ook mijn blog van 3 april 2019: https://casparvanwittel.blog/2019/04/03/caspars-schoonfamilie/). Caspars vrouw Anna woonde hier ook nog tijdelijk na haar huwelijk met hun zoon Luigi in de tijd dat Caspar in Napels voor Luis Francisco de la Cerda werkte en het in Napels te onveilig was om zijn familie bij zich te hebben. De Via dei Coronari loopt van de Piazza di Tor Sanguigna tot aan de Piazza dei Coronari en het was de eerste rechte weg in de wirwar van straatjes van het middeleeuwse Rome. De straat werd geopend door paus Sixtus IV en bestond in de Renaissance uit twee delen: de “Scorticlaria”, vanwege de vele handelaars in lederwaren, en de “Immagine di Ponte”, genoemd naar een klein heilig gebouwtje op een van de straathoeken. De huidige straatnaam komt van de “Coronari”, verkopers van rozenkransen. Zij hadden hun winkels hier omdat de weg heel strategisch gelegen was op de route naar de Sint-Pietersbasiliek en waar dus veel pelgrims langs kwamen.

Musea en collecties online

Nu de musea dicht zijn, is het helaas niet mogelijk om kunstwerken in het echt te (gaan) bekijken. Gelukkig is het tegenwoordig wel mogelijk om meerdere musea via het internet te ‘bezoeken’ of door hun collectie te ‘bladeren’. Daar maak ik zelf ook vaak gebruik van om Van Wittels terug te kunnen vinden en (waar die mogelijkheid er is) de werken tot in alle details te bekijken. Daarom een paar van deze op een rijtje gezet, om vanuit de luie stoel eens lekker doorheen te gaan 😉

De Fondation Custodia, oftewel de Collectie Frits Lugt, in Parijs heeft een eerste deel van haar collectie online beschikbaar gemaakt.  Alle Italiaanse tekeningen van de collectie zijn nu terug te vinden in de online collectie-database (dit zijn ruim 600 objecten): http://collectiononline.fondationcustodia.fr

Als je in deze database de zoekterm “Wittel” invoert komen er vier tekeningen naar voren. Twee tekeningen van Luigi en twee van vader Caspar: https://collectiononline.fondationcustodia.fr/bronnen/drawings/?mode=gallery&view=list&q=Wittel&rows=1&page=1&fq%5B%5D=search_s_category:%22Drawing%22&sort=order_s_preferred_artist%20asc

Een van deze tekeningen (zie de afbeelding bovenaan) is het ontwerp voor de Veduta della strada di Porta Pinciana waar ik al eerder over schreef: https://casparvanwittel.blog/2018/08/23/veduta-della-strada-di-porta-pinciana/

Er zijn meerdere museums en hun collecties online te bekijken, zoals het Metropolitan Museum of Art: https://www.metmuseum.org/art/collection/search?searchField=All&showOnly=openAccess&sortBy=Relevance&offset=0&pageSize=0?perPage=20&searchField=All&showOnly=openAccess&sortBy=Relevance&offset=0&pageSize=0 Zij hebben drie tekeningen van Caspar (zoekterm Wittel) in de collectie maar ook een aantal ontwerptekeningen van Luigi (zoekterm Vanvitelli).

Ook de Uffizi in Florence zijn online te ‘bezoeken’: https://www.uffizi.it/en/online-exhibitions

Wil je in hun collectie zoeken kan dat via een andere pagina en de zoekterm Wittel levert daar maar liefst dertien schilderijen op: http://catalogo.uffizi.it/it/29/ricerca/iccd/?search=Wittel Deze zijn echter alleen in kleine zwart-wit afbeeldingen te zien helaas (ze zijn erg beschermend ten opzichte van hun beeldmateriaal, wil je hier iets van gebruiken moet je daar (flink) voor betalen).

Het laatste museum dat ik wil noemen is het Prado in Madrid. Ook hun collectie is online te raadplegen en zij hebben drie Van Wittels, waaronder de fantastische veduta van de Piazzetta San Marco en het Palazzo Ducale in Venetië (in hoge resolutie, heerlijk als zoekplaatje!): https://www.museodelprado.es/en/the-collection/art-works?searchObras=vanvitelli&cidoc:p14_carried_out_by@@@pm:author@@@ecidoc:p131_E82_p102_has_title=vanvitelli,%20gaspare@en

Caserta-filmpjes

Nu (ook) in Italië iedereen thuis zit, heeft het MiBACT (het Ministero per i beni e le attività culturele e per il turismo, in het Nederlands: het Ministerie voor cultureel erfgoed en activiteiten en voor toerisme) op hun YouTube kanaal veel filmpjes geplaatst van musea en toeristische trekpleisters plus video’s van medewerkers hiervan die vanuit huis werken. Ook van Caserta, het geesteskind van onze vriend Luigi Vanvitelli, staan een aantal video’s online, zie onderstaand (twee korte algemene filmpjes maar ook een lange met een wandeltocht). Voor wie zich verveelt of voor wie zich eventjes wil vergapen 😉