Luigi’s werk in Rome – dl 2

Mijn blog van gisteren was eigenlijk deel 1 want het verhaal kreeg nog een (uitgebreide) staart. Van 1748 tot 1765 werkte Luigi namelijk nog aan een andere geruchtmakende opdracht in Rome. En ook dit keer betrof het een eerder werk van Michelangelo.

In 1748 kreeg Vanvitelli de vraag de binnenruimtes van de thermen van Diocletianus aan te pakken. Michelangelo had in opdracht van paus Pius IV (Giovanni Angelo Medici, paus van 1559 tot 1565) het oude tepidarium van de thermen van omgevormd tot een kartuizer kerk, de Santa Maria degli Angeli. Luigi paste de richting van de kerk aan, waarbij de grote zaal die de as van de kerk vormde het transept werd. Hij behield echter wel de vorm van de kerk van een Grieks kruis, precies zoals bedacht was door Michelangelo. En natuurlijk, het viel te verwachten, ook nu weer toonde Bottari zich bij dit project een felle tegenstander van het werk van Luigi. Hij beschuldigde Luigi ervan het werk van Michelangelo “met buitengewone moed te verminken”. Michelangelo echter had zijn project nooit afgemaakt, het enige dat hij had gedaan was het volume van de thermen omgevormd tot een kerk zonder hier decoratie aan toe te voegen. En Luigi was door de kartuizer monniken expliciet gevraagd de kerk van decoraties te voorzien.

Interieur van de basiliek Santa Maria degli Angeli, ets van Piranesi, ca. 1760

De kritiek en laster, vooral de felle reactie van Bottari, waren voor Luigi een bittere pil. Hij verwaardigde zich echter niet een reactie op de kritiek te (laten) uitgeven, hij ontweek liever een openbare strijd in de publiciteit. Of dat een slimme zet was, kan ik niet echt goed zeggen. Het leverde Luigi wel steun op van andere architecten die de aanval van Bottari oneerlijk vonden maar Luigi bleef zijn wrok wel lang met zich meedragen en vergat zijn tegenstander niet. Vele jaren later in Napels, toen Luigi al aan het werk was als hofarchitect van Caserta, pakte hij Bottari toch nog een beetje terug. Hij had een eigen kopie van Bottari’s boek over de kunst van het ontwerpen, Dialoghi sopra le tre arti del disegno (1754) en voorzag dit van aanmerkingen en verbeteringen. En alhoewel hij dit niet liet uitgeven, liet hij het wel aan al zijn belangrijke vrienden en bekenden in Napels lezen. Om vervolgens een kopie hiervan naar zijn broer in Rome te sturen om ook daar aan belangrijke personen te laten zien, direct onder Bottari’s neus.

Naast alle ophef rondom de genoemde opdrachten was Luigi daarnaast ook nog gewoon aan het werk als architect van de bouwfabriek van de Sint-Pieter wat betekende dat zijn taken voor de Vaticaanse basiliek continu bleven doorgaan. Deze taken waren zeer divers van aard: traditionele verlichting van de gevel en de koepel voor de feesten van Petrus en Paulus, decoruitrusting voor heiligverklaringen, decoratieve werkzaamheden in het transept voor het heilige jaar 1750, enzovoorts. De verlichting van de façade en de koepel van de Sint-Pieter ter gelegenheid van de Petrus & Paulusdag op 29 juni gold als een bezienswaardigheid, mensen kwamen overal vandaan om het schouwspel te kunnen bekijken. Waarschijnlijk heeft Luigi hier drie verschillende varianten voor ontworpen, in een steeds rijkere uitvoering: in 1744, in 1746 en in het jubeljaar 1750. Hierbij moet je denken aan een soort van permanente feestdecoratie die steeds werd veranderd en verbeterd waarbij er gebruik werd gemaakt van stoffen decoratie, beelden, medaillons, kroonluchters en kandelaren om het gebouw op te luisteren. Dat klinkt niet als een hele prestigieuze opdracht maar dat was het in die tijd wel. Het ging namelijk om restauratie, complettering en modernisering van de gehele inrichting van de basiliek. Niet niks dus. Helaas is van deze laatste soort opdrachten nu natuurlijk niets meer te zien, maar ik dacht het hier toch maar toe te voegen aan het verhaal zodat alle opdrachten in Rome toch aan bod zijn gekomen. 

Ontwerp voor decoratie in de lantaarn van de Sint-Pieter (boven de ramen steeds een paar van engelen die medaillons ondersteunen met bustes en verbonden door slingers), 1749-1750

Overigens hebben we het hierbij alleen gehad over zijn architecturale werk, in zijn jonge jaren heeft hij ook opdrachten als schilder uitgevoerd (o.a. in de Santa Cecilia in Trastevere: https://casparvanwittel.blog/2019/07/10/santa-cecilia-in-trastevere/)

Luigi’s werk in Rome

In eerdere blogs vertelde ik al over de jonge (architecten)jaren van Luigi in Rome maar toen mij vanmiddag werd gevraagd welke werken van Luigi hier in de stad te zien zijn, realiseerde ik me dat ik het daar nog niet echt (veel) over heb gehad. Wel over de concoursen waar hij aan meedeed (https://casparvanwittel.blog/2021/03/08/luigis-jonge-architectenjaren/) maar niet over werken die hier daadwerkelijk te zien zijn.

Zoals eerder verteld begon onze vriend Luigi Vanvitelli vanaf 1724 te werken voor de bouwfabriek van de Sint-Pieter. Hij begon als kopiist van mozaïeken en twee jaar later begon hij hier zijn architectonische loopbaan. Eerst als assistent van de assistent van de toenmalige hoofdarchitect Antonio Valeri. Na het overlijden van Valeri in 1736 werd deze opgevolgd door zijn tweede man Filippo Barigioni en vervolgens werd na Barigioni’s overlijden in 1753 Luigi uiteindelijk architetto soprastante. Als tweede assistent kreeg Luigi veelal opdrachten buiten Rome: in Ancona (https://casparvanwittel.blog/2021/05/12/luigis-jonge-jaren-vervolg/) en in de regio’s Umbrië en de Marche. Vanaf 1730 was hij verantwoordelijk voor het district Frascati en hield hij zich bezig met verschillende waterwerken daar.

Maar wat heeft hij dan gedaan in Rome?

Biblioteca Angelica

Tussen 1746 en 1750 verruimde hij voor de Augustijner orde de Sant’Agostino kerk met twee zijbeuken en bouwde voor hen een nieuw klooster met kloosterhof en de naastgelegen leeszaal (afgerond in 1765) waar de Biblioteca Angelica is gevestigd. (Voor dezelfde Augustijner orde ontwierp hij ook kerken buiten Rome overigens.)

Niet iedereen kent de kerk en bibliotheek maar wat wel een zeer bekende Romeinse bezienswaardigheid is, is de koepel van de Sint-Pieter. Al snel na de bouw, in de tijd van Bernini (architect van de Sint-Pieter vanaf 1629) werden er al scheuren en barsten waargenomen in de koepel. Bij het begin van het pontificaat van Benedictus XIV echter, ontstonden er nieuwe beschadigingen.

Benedictus XIV

Paus Benedictus XIV (Prospero Lambertini) was paus van 1740 tot 1758. Een intellectueel en theoloog maar schijnbaar ook zeer diplomatiek (hij kon behoorlijk goed omgaan met de ingewikkelde politieke relaties en intriges in zijn tijd zoals de rivaliteit tussen de twee belangrijkste Europese vorstenhuizen, de Bourbons en de Habsburgers).

Goed, de koepel dus. Al bij zijn aanstelling als tweede architect van de Sint-Pieter in 1736 had Luigi gewezen op nieuwe beschadigingen aan de koepel en het gerucht dat deze dreigde in te storten was er ook altijd al geweest maar rond 1741 verspreidde dit gerucht zich met nog meer nadruk door Rome. Paus Benedictus XIV, daadvaardig als hij was, besloot een einde te maken aan alle geruchten en actie te ondernemen. Hij vond dat, om tot een wetenschappelijk verantwoorde oplossing te komen, deze ondersteund moest worden door zoveel mogelijk mensen. Hij liet de Paduaanse geleerde (èn wiskundige & ingenieur) Giovanni Poleni naar Rome komen en liet hem alle relevante gegevens opnemen en noteren. Vervolgens vond in september 1742 een uitgebreide bezichtiging van de koepel plaats waarvoor een speciale commissie was samengesteld met deskundigen op allerlei gebieden. Van Poleni tot de wiskundige Conte Crispi en aangevuld met de architecten van de bouwfabriek, waaronder natuurlijk Luigi. Dit werd gevolgd door een onderzoek naar de pijlers van de koepel, waar een tweede commissie voor werd samengesteld. In die commissie zaten veel architecten die in Rome werkten zoals Ferdinando Fuga, Nicola Salvi, Giuseppe Sardi, Nicola Giobbe en wederom Luigi. Het hele proces werd afgesloten met een congres in januari 1743 waar alle belangrijke wiskundigen, architecten en andere kenners bij elkaar kwamen om het probleem te bespreken.

En je kunt wel raden wat er toen gebeurde, de deelnemers bleken het onderling hartgrondig met elkaar oneens. Onduidelijkheid alom, de discussie ging maar door, totdat er in februari 1743 een nieuwe bezichtiging van de koepel plaatsvond. Maar in de tussentijd had een aantal heethoofdige experts de publiciteit gezocht om hun standpunt te verkondigen, waardoor er een enorme controverse ontstond. Luigi en zijn medestanders geloofden dat reparaties aan de koepel noodzakelijk waren maar recht tegenover hen stond de ‘Toscaanse partij’ met mensen afkomstig uit Florence en Toscane. Aan het hoofd hiervan stond Giovanni Gaetano Bottari, secretaris en bibliothecaris van de machtige kardinaal Nero Corsini, neef van Clemens XII (zie ook https://casparvanwittel.blog/2021/07/20/corsinis-en-caffeaus/). Deze Bottari was een fel tegenstander van Luigi, hij was er geheel en al van overtuigd dat het niet mogelijk was dat het werk van de ‘grote meester’ Michelangelo de tijd niet zou kunnen weerstaan, laat staan dat Michelangelo überhaupt fouten zou kunnen hebben gemaakt. (Wat de heren aan de andere zijde ook niet beweerd hadden overigens.) Zoals dat ging in die tijd ging het er behoorlijk fel aan toe en beide kampen voerden niet alleen openlijk campagne voor hun eigen overtuigingen, ze probeerden elkaar ook in diskrediet te brengen. Uiteindelijk besloot de paus het finale oordeel over te laten aan Giovanni Poleni. Deze concludeerde dat er geen direct gevaar bestond voor instorting van de koepel maar dat het wel raadzaam was maatregelen te nemen. Hij adviseerde de paus om de koepel met ijzeren ringen te laten versterken. En drie keer raden wie dat werk heeft uitgevoerd. Onze vriend Luigi natuurlijk. Hij bracht de ringen in de jaren 1743-1744 aan op aanwijzingen van Poleni maar naar eigen methode. Er werden vijf grote smeedijzeren banden (denk aan enorme fietsvelgen) gebruikt, die een voor een in de koepel werden gestoken. Op deze manier werd de koepel versterkt zonder invasieve ingrepen. Uiteindelijk werd in 1748 nog een zesde band geplaats nadat Luigi had vastgesteld dat een van de twee randen die bij de bouw van de koepel werden gebruikt, was verbrijzeld. Poleni controleerde daarna de weerstand van het marmer en beton tegen temperatuurschommelingen en kwam met een positieve uitslag waardoor de koepel tot op de dag van vandaag zijn oorspronkelijke vorm kon behouden.

De samenwerking tussen Poleni en Vanvitelli is vermoedelijk goed geweest want de geleerde en de architect publiceerden in 1748 op last van Benedictus XIV een gezamenlijke verantwoording van de door hun gebruikte methode (onder de titel Memorie istoriche della gran cupola del tempio vaticano e de’ danni di essa, e de’ ristoramenti loro). Hierin werden de teksten van Poleni en de illustraties van Vanvitelli op gelijk niveau naast elkaar gepresenteerd om zo als bewijslast voor hun werk aan de koepel te kunnen dienen. Misschien leuk om dit te bedenken de volgende keer dat we de prachtige koepel zien 😉

Resta – nagekomen bericht

Niet alleen kom ik er net achter dat het verhaal over Resta mijn honderste blog was (joechei!), kom ik daarnet dus net ook nog een heel leuk feit tegen. Reden genoeg voor een nagekomen bericht…

In 2012 was ik naar de grote Leonardo da Vinci-tentoonstelling in de National Gallery in Londen. Die dag staat nog steeds in mijn geheugen gegrift, niet alleen vanwege de prachtige tentoonstelling en de mooie werken van Da Vinci, maar ook omdat daar en die dag mijn Vanvitelli-Van Wittel-carrière begonnen is.

In de museumwinkel heb ik toen een etui gekocht met een afbeelding van de “Burlington House Cartoon”, een ontwerptekening voor het schilderij van de Maagd Maria met het kind en Sint Anna. Die etui heb ik altijd bij me omdat daar mijn pennen etc. in zitten en ligt dus nu ook op mijn bureau naast me.

Het ontwerp is een eerste versie en is niet het uiteindelijke ontwerp voor het schilderij geworden. Waar in de “Burlington House Cartoon” nog een kleine Johannes de Doper stond, is deze in het schilderij vervangen door een lammetje. Het schilderij was ook te zien op de tentoonstelling en is onderdeel van de collectie van het Louvre.

Maar wat schetst nu mijn verbazing? In het stuk over Sebastiano Resta waar ik nu in bezig ben, lees ik dus dat er nog een ander ontwerp was voor dit schilderij. Waarschijnlijk een latere versie want deze tekening komt sterk overeen het uiteindelijke schilderij. Maar nu komt het: deze had Resta in zijn bezit! Het ontwerp is door allerlei handen gegaan en via via halverwege de achttiende eeuw in het bezit gekomen van ene prins Nikolas Esterházy. Daarom stond dit ontwerp bekend als het “Resta-Esterházy-carton”. Vervolgens is het echter helaas tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan en nooit meer terecht gekomen.

Sebastiano Resta

Al bij het onderzoek voor mijn masterscriptie kwam ik de naam tegen van Sebastiano Resta (1635-1714). In een brief van februari 1704 aan Francesco Maria Niccolò Gabburri (1676-1742), een Florentijnse wetenschapper en verzamelaar, schrijft Resta namelijk over Van Wittel. Resta schrijft dat hij niet weet of Van Wittel in Rome is of in Napels maar dat hij dat zal achterhalen (“ik zal het weten”). Klaarblijkelijk had Gabburri bij Resta navraag gedaan naar Van Wittel. Resta schrijft verder dat Van Wittel “zeer ijverig en heel natuurlijk” is in het weergeven van “huizen” (architectuur dus) maar “niet te zacht in de bomen wat betreft het gemak en de frisheid van vermenging”. En tot slot dat “zijn vriend” Van Wittel alleen schildert voor belangrijke mensen. Grappig is dat ik er achter kwam dat Resta zich heeft vergist tussen twee schilders want in een latere brief aan Gabburri schrijft hij dat hij een “monsù Giacomo” (zoals Gabburri de schilder in kwestie waarschijnlijk dan omschreven heeft in zijn eerste verzoek tot navraag) heeft verward met een “monsù Gasparo”.

Sebastiano Resta werd in 1635 geboren in Milaan en studeerde daar aan het seminarie filosofie. Vervolgens werd hij toegelaten tot de adellijke rechtenfaculteit maar oriënteerde zich daarnaast ook op meer artistieke studies via zijn vader Filippo (schilder, verzamelaar en een bekend figuur in de Milanese culturele wereld). Kennelijk had hij daar niet al te veel talent voor want hij ging daar niet mee verder. Maar op deze manier was hij wel in contact gekomen met kunstenaars en verzamelaar in Milaan. Rond 1661 verhuisde Resta naar Rome (waarom is niet duidelijk) waar hij onder de hoede kwam van de kardinalen Sforza Pallavicino en Benedetto Odeschalchi, de toekomstige paus Innocentius XI. Drie jaar later deed hij het verzoek om toegelaten te worden tot de Congregatie van de Oratorianen waar hij in 1665 werd aangenomen als lid. Vanaf dat moment was het Oratoria alla Chiesa Nuova zijn vaste verblijfplaats en vanaf 1668 was hij priester voor het oratorium.

Waarschijnlijk is Resta in Rome begonnen met het verzamelen van schilderijen, tekeningen en informatie over kunstenaars. Op zoek hiernaar reisde hij door heel Italië, ontmoette hij allerlei kooplieden en verzamelaars en correspondeerde met de belangrijkste verzamelaars uit zijn tijd. Tegen het einde van de zeventiende eeuw begonnen sommige verzamelaars schetsboeken te gebruiken als een soort van mini-verzamelingen met afbeeldingen, informatie over kunstenaars en kunstscholen. Dit deed Resta ook en hij werd een kenner en verzamelaar van oude tekenkunst. Vooral van de Romeinse en Napolitaanse scholen die in zijn tijd een stuk minder gewaardeerd werden (hij wordt ook wel genoemd als de ‘herontdekker’ van de Lombardische school en Correggio in het bijzonder). Zijn ‘verzamelboeken’ waren geordend op onderwerp en volgden een chronologische lijn. Een van de eerste overzichten die hij samenstelde was met studies van Pieter Paul Rubens naar de oudheid zodat deze als voorbeeld konden dienen voor hedendaagse schilders. Zoals gezegd reisde Padre Resta dus heel Italië door en hij was meermaals in Napels te vinden. In 1683 verbleef hij daar een aantal maanden om de toenmalige onderkoning van Napels geestelijk bij et staan. Dit was Don Gaspar de Haro y Guzmán, de markies del Carpio en dit was dan weer de voorganger van de ons welbekende Luis de la Cerda, hertog van Medinaceli. Resta was echter ook verantwoordelijk voor de verzamelingen prenten en tekeningen van de markies.

Sebastiano Resta, Albero genealogico della famiglia dei Vecelli e Appunti su artisti, Ritratto di Albrecht Altdorfer e Veduta di Roma, da due lettere a Giuseppe Ghezzi. Roma, Biblioteca dell’Accademia Nazionale dei Lincei e Corsiniana, Codice 1403, cc. 127, 44v

Door de jaren heen verwierf Resta erkenning als onbetwist expert en hij stelde enorm veel ‘verzamelbanden’ samen. Hij had contact met de belangrijkste verzamelaar van die tijd zoals Christina van Zweden en Livio Odescalchi en met veel intellectuelen en schrijvers zoals Giovan Pietro Bellori en Carlo Cesare Malvasia.  Hij verkocht ook werk uit zijn eigen collectie maar de opbrengst hiervan ging meestal naar een goed doel. Helaas gingen er aan het eind van zijn leven wat dingen mis buiten zijn schuld om waardoor hij een groot deel van zijn collectie verloor. Gebukt onder de schulden bracht hij de laatste jaren van zijn leven in armoede door in zijn kamers in de Chiesa Nuova, waar hij in juli 1714 na een ernstige ziekte stierf. Misschien geen erg gelukkig einde maar hij werd alom gerespecteerd en gewaardeerd en in ieder geval was hij op een voor hem prettige plek. Een plek waar ook Van Wittel uiteindelijk zoals dat zo mooi heet ‘te ruste is gelegd’. Waarom precies in deze kerk de zoons van Van Wittel hun vader en moeder hebben begraven is me nog steeds niet helemaal duidelijk. Dat vader Caspar en zonen Luigi en Urbano gelovig waren is uit alle bronnen wel bekend maar ik krijg er nog steeds mijn vinger niet helemaal achter wat de relatie was van Van Wittel met de Oratorianen. Reden genoeg dus om hier weer eens in te duiken 😉

Grot van Posillipo

Alhoewel ik er een flinke deuk in heb geslagen inmiddels, ben ik me nog steeds door mijn stapel aan opgeslagen artikelen aan het werken. Deze gaan over allerlei zaken die iets te maken hebben met Caspar of Luigi of omstandigheden waar ze mee te maken hadden. Zo las ik bijvoorbeeld vandaag over hofceremonieel in het koninkrijk Napels in de tijd dat Luigi voor het hof werkte maar ook twee stukken over artiesten die in dezelfde tijd in Napels te vinden waren als Luigi. En soms kom ik iets tegen dat me een onverwachte kijk geeft op dingen die me al bekend waren. Dat is dan extra leuk.

Vanochtend was ik bezig in een artikel over Etienne Giraud, een architect, tekenaar en graveur die in het midden van de 18e eeuw in Napels te vinden was. Over de brave man is praktisch niets bekend behalve dat hij een set van prachtige vedute van Napels heeft nagelaten.

In het artikel stond een aantal afbeeldingen waaronder een gravure van het binnenste deel van de Napolitaanse crypte die ook wel (ik begreep onterecht) de Posillipo-grot werd genoemd. In de grot was een kapel gebouwd, gewijd aan de maagd Maria.

Ik had nog niet eerder een afbeelding gezien van de binnenkant maar de ets trok direct mijn aandacht omdat de toegang tot de grot meermaals is afgebeeld door Van Wittel en ik me altijd afvroeg waar nu toch die ingang naar toe leidde.

Naar de Napolitaanse crypte dus. Deze Crypta Neapolitana is eigenlijk een tunnel uit de Romeinse tijd die in een rechte lijn door de Posillipo-berg liep, van oost naar west. Aan de oostkant ligt het oude stadscentrum van Napels, aan de westkant liggen de Campi Flegrei, de thermen en de weg naar Pozzuoli. De Romeinen hadden de tunnel aangelegd om hun troepen snel tussen Napels en Pozzuoli te kunnen verplaatsen. Anders hadden ze over de berg moeten reizen en dat kostte natuurlijk veel meer tijd. Er zijn door de Romeinen in dit gebied meerdere tunnels gegraven maar dit is de enige die nog lange tijd in gebruik is geweest als openbare weg (tot aan het begin van de 20e eeuw). De tunnel was zo’n 700 meter lang en 4-5 meter breed. Bijzonder was dat je in de tunnel altijd licht kon zien letterlijk aan het einde van de tunnel omdat de doorgang heel hoog was, tussen de 5 en 20 meter.

Aan de oostkant stond een Romeins grafmonument, volgens de traditie was dit het graf van de Romeinse dichter Vergilius. Dit monument heeft Van Wittel ook afgebeeld maar stond eind 19e eeuw nog steeds zo bekend, zie onderstaande afbeelding uit 1897.

Corsini’s en “caffeaus”

Met al die artikelen over villa’s die ik nu aan het lezen ben, kom je echt van alles tegen. Gisteren las ik een stuk over de tuinen van Palazzo Corsini alla Lungara. Hier ben ik al meerdere malen geweest, voor het museum (nu onderdeel van de Gallerie Nazionali Barberini Corsini) maar ook voor de bibliotheek van de Accademia Nazionale dei Lincei e Corsiniana in welke collectie het manuscript van Cornelis Meijer te vinden is met op het titelblad de verwijzing van Van Wittel. (Voor meer info hierover, zie ook mijn eerdere blogs over het museum, de bibliotheek en Cornelis Meijer. Deze zijn allemaal zo’n beetje uit de zomer van 2018 maar zijn te veel linkjes om hier te plaatsen.)

De familie Corsini was een bijzonder rijke familie, afkomstig uit Florence. Eind 17e eeuw bezaten zij in Rome een redelijk bescheiden palazzo op de Piazza Fiammetta maar ze wilden natuurlijk graag hun status wat ophogen dus werd er uitgekeken naar betere mogelijkheden. Kardinaal Lorenzo Corsini huurde vanaf 1714 het Palazzo Pamphilj op Piazza Navona (ja inderdaad, het paleis links op Van Wittels schilderij van Piazza Navona met het familiewapen boven de ingang). Op 12 juli 1730 werd de kardinaal verkozen tot paus en hij nam de naam Clemens XII aan. Hij benoemde, zoals dat in die tijd natuurlijk ging, vervolgens direct zijn neef Neri Maria Corsini tot kardinaal. Deze bleef tot en met 1734 in Palazzo Pamphilj wonen maar dit werd een onhoudbare situatie omdat de nieuwe kardinaal Corsini inmiddels een enorme boekenverzameling had aangelegd en simpelweg het gewicht van zijn enorme collectie ervoor zorgde dat hij moest uitkijken naar andere huisvesting. Het oude familiepaleis kon niet worden uitgebreid dus ze moesten op zoek naar een ander onderkomen. De zoektocht stond onder leiding van monsignore Giovanni Gaetano Bottari, sinds 1717 in dienst van de Corsini’s. Deze zeer erudiete man had o.a. de zorg voor de boekencollectie (dat zou ons normaliter natuurlijk al voor hem hebben ingenomen, ware het niet dat hij in latere jaren een fel tegenstander zou worden van onze vriend Luigi Vanvitelli).

Clemente XII con il cardinale Neri Corsini

De intentie van de paus en zijn neef was natuurlijk om een residentie te vinden die ze konden uitbouwen tot het soort dat de koningshuizen van Europa hadden laten bouwen, een soort van klein Versailles zeg maar. Dat vonden ze in Palazzo Riario di via della Lungara, gebouwd aan het begin van de 15e eeuw door kardinaal Raffaele Riario Sansoni (ook wel bekend als het paleis waar Cristina van Zweden tot haar dood woonde). Bij het paleis hoorde een tuin, een bosco en een huis op de Gianicolo-heuvel. Toentertijd lag het paleis net buiten de stad maar was makkelijk bereikbaar. Daarnaast was het dus voorzien van een uitgebreid grondgebied en dit grensde aan de andere kant van de heuvel ook nog eens bijna aan een huis dat de Corsini’s al sinds de tweede helft van de 17e eeuw in bezit hadden, het Casino dei Quattro Venti bij de Porta San Pancrazio. Zoals je begrijpt zagen de Corsini’s dat wel zitten, al kwam daar wel wat geld aan te pas natuurlijk. Het paleis met alles erop en eraan werd door kardinaal Neri Corsini en prins Bartolomeo Corsini (een andere neef van de paus) in juli 1736 aangekocht voor de lieve som van 70.000 scudi.

Palazzo Riario

De architect Ferdinando Fuga (ook uit Toscane afkomstig en zeker ook geen vriend van Luigi) werd aangetrokken om de verbouwingen van het paleis op zich te nemen. De bedoeling was om dit op te splitsen in twee residentiele onderdelen: een voor de kardinaal en een voor de prins. Verder werd natuurlijk de tuin flink onder handen genomen, zodat het interne paleis verder naar buiten kon worden doorgetrokken. Er werd een cour d’honneur aangelegd (à la Versailles), gevolgd door twee rechthoekige giardini segreti met daarin parterres de broderie, fonteinen en doolhoven (het zegt wel wat dat ook wij veel Franse termen hebben voor onderdelen van formele tuinen 😉 ) Vervolgens was er een soort van groene zuilengalerij waar net als in de oudheid academici bijeen konden komen. Kortom en dus, een enorm imposant tuingebeuren. Uiteindelijk werd het niet helemaal waar de Corsini’s op gehoopt hadden, deels door de ligging van het terrein en de meer Italiaanse stijl van de architect maar ook deels door de niet onuitputtelijke zakken van de heren die meerdere projecten tegelijkertijd lieten uitvoeren.

Il giardino di Palazzo Corsini

En na deze lange introductie komt dan nu pas het onderdeel waarover ik wilde vertellen. Wat ik namelijk las in het artikel is dat in de 18e eeuw naast de inmiddels overal toegepaste volières, stallen, openluchttheatertjes, etc. een nieuw element werd toegevoegd in tuinen: een ruimte om koffie te drinken. Deze werden caffeaus genoemd, naar de Duitse term Kaffeehaus of het Engelse coffee-house. In de tuin stond dan een klein paviljoentje “voor rust en verfrissing”.

De opvolger van Clemens XII, paus Benedetto XIV gaf Fuga (nadat hij een soort van klaar was met de verbouwingen van Palazzo Corsini en de tuinen daar) de opdracht een dergelijk paviljoen te bouwen in de tuinen van het Quirinaal. Het gebouwtje bestond uit meerdere kamers want naast de Engelse kamer, wilde de paus ook graag in een andere ruimte “zelfs in de winter genieten van de voorziening van groenten”. De inrichting was in rococostijl in groene en blauwe tinten met gestucte decoratie in wit en goud waar de porselein-collectie van de paus was uitgestald. Er waren muurschilderingen van o.a. Pompeo Batoni en in een van de ruimtes hingen vedute van Giovanni Paolo Panini. De buitenkant was in Franse stijl, meer klassiek, een beetje zoals de Villa Farnesina in het klein. In 1743 was de constructie klaar en op 3 november 1744 ontving paus Benedetto XIV een belangrijke bezoeker, Karel (III) van Bourbon (zie afbeelding hieronder).

Carlo di Borbone visita il papa Benedetto XIV nella coffee-house del Quirinale (Pannini)

En dat is waarom mijn oog hierop viel want deze Karel zou na een aantal bezoeken aan Rome twee van haar belangrijkste architecten meenemen naar zijn nieuwe koninkrijk Napels, Ferdinando Fuga en… Luigi Vanvitelli natuurlijk!

Villa del Pigneto

Momenteel zijn we een paar dagen gekluisterd aan onze eigen bibliotheek van het Nederlands Instituut hier in Rome. Zeker geen straf want het is een fijne werkplek. De meeste naslagwerken zijn hier te vinden, we kijken uit op de prachtige tuin en horen door de open ramen de fonteinen van de tuin heerlijk klateren in de zomerzon.

Ik gebruik de tijd om mijn berg aan opgeslagen artikelen door te werken waar ik de afgelopen anderhalf jaar niet aan toe ben gekomen. Dit levert een gevarieerde werkdag op, want ik lees veel verschillende stukken. Van hydraulica (Cornelis Meyer) tot aan opdrachten van kardinaal Girolamo II Colonna (zoon van de ons welbekende Filippo II Colonna).

Zo las ik ook een artikel over de Villa del Pigneto, oftewel de Villa Sacchetti. Een adellijk buitenverblijf, ontworpen en gebouwd voor de markiezen Sachetti. En die kennen we natuurlijk want van 1682 tot en met 1688 werkte Van Wittel voor de markies Sachetti en woonde hij waarschijnlijk ook in de woning van de markies in de stad (Palazzo Sachetti aan de Via Giulia).

Het buitenverblijf, ook wel het “Casino Sacchetti” genoemd, was gebouwd langs een helling van een heuvel in de Aurelia-vallei vlak dichtbij de Vaticaanse tuinen. Het bevond zich naast een dicht dennenbos waardoor het de naam Pigneto (later Pineto) kreeg en het nu bekend staat als de Pineta Sacchetti. Ik zeg bekend staat, maar helaas is er weinig meer over van de oorspronkelijke villa. Die werd ontworpen door Pietro da Cortona, een van de belangrijkste schilders van de Romeinse barokperiode. De villa was een van zijn weinige architecturale werken en het ontwerp ervan werd gezien als vooruitstrevend en een voorloper in zijn eigen tijd. Helaas was het aan het einde van de zeventiende eeuw al een ruïne maar er zijn afbeeldingen van waardoor we weten hoe het er toen uit moet hebben gezien.

Alessandro Specchi 1699

De villa was bereikbaar via een weg in de vallei en werd gebouwd op verschillende ‘verdiepingen’ langs de helling van de heuvel omhoog. De eerste verdieping bestond uit een grote fontein, verfraaid met natuurlijke rotsen. Een soort van grotto met een fontein dus. Op de tweede verdieping was ook een fontein maar dan in geometrische vorm en met figuren van tritons (een soort van mythologische figuren, half man-half vis), daarboven waren monumentale zijtrappen gebouwd met bas-reliëfs met centraal op dat niveau een nymphaeum (een monument gewijd aan de nimfen en dan veelal specifiek aan de bronnimfen dus met een waterbron). De trappen vanaf hier leidden op hun beurt weer naar de villa zelf op het hoogste niveau. Hier begon pas het feitelijke gebouw dat ook weer bestond uit meerdere etages met een centraal deel en twee vleugels. In het centrale deel was een grote nis (denk aan de Cortile del Belvedere en Cortile della Pigna in het Vaticaan) die correspondeerde met de salon binnenin de villa.

Giuseppe Vasi 1760

Van Wittel heeft dus zeker een jaar of zes voor de markies Sacchetti gewerkt en hij heeft de villa ook afgebeeld (de afbeelding bovenaan dit stuk). Dit is echter waarschijnlijk niet gemaakt naar de op dat moment daadwerkelijke villa. In zijn afbeelding uit 1699 noemt Specchi het gebouw namelijk “oggi in parte diruto” (vandaag de dag deels geruïneerd). Vasi heeft in het commentaar bij zijn afbeelding van de villa uit 1760 genoteerd dat “in oggi, perché lasciato in abbandono, va a rovinare” (vandaag de dag, omdat het verlaten is achtergelaten, gaat het ten gronde). We kunnen er dus wel van uitgaan dat de villa in Caspars tijd behoorlijk vervallen moet zijn geweest. Waarschijnlijk is de villa verlaten vanwege de slechte lucht, maar dit is niet helemaal duidelijk. Ook weten we niet precies in welk jaar Caspar zijn schilderij gemaakt heeft, misschien heeft hij wel gebruik gemaakt van de prent van Specchi om zijn werk te maken. Er zijn echter wel wat verschillen tussen de twee. Zo te zien ontbreken in het schilderij bijvoorbeeld de twee zijtrappen op het niveau van het nyphaeum (boven het niveau van de tritons-fontein). Wat dan wel weer te zien is in Caspars werk (aan de linkerkant) is een grote urn op een voetstuk. Dit is het ‘mausoleum’ van de ezel Grillo. Het verhaal gaat dat de heren Sacchetti een ezel hadden die ze in Rome vollaadden met gesloten manden met voorraad en dat de ezel zó slim was dat hij vervolgens uit zichzelf naar de villa liep. Een andere bron gaat nog verder en zegt “… dat wil zeggen, dat de ezel uit Pigneto alleen ging om boodschappen te doen in de stad, langs de winkels van de verschillende leveranciers ging en vervolgens met trappen de manden verdedigde, die hij van hier naar daar droeg… ”. Uit dankbaarheid voor zijn diensten richtten de heren Sacchetti na de dood van de ezel dit monument op. Het gaf natuurlijk ook een goed richtpunt qua perspectief zo aan het einde van de laan die toegang gaf tot de villa dus hoeveel hier echt van waar is, weet je maar nooit. En de tweede versie van het verhaal schijnt ook uit bronnen binnen de familie Sacchetti zelf te komen. Maar een goed verhaal is altijd leuk en daarmee hebben we ook weer een leuke anekdote erbij over een fijn schilderij van Caspar!

De ezel Grillo zoals afgebeeld door Pier Leone Ghezzi (1674-1755) 

Villa Medici

Eerder had ik beloofd een keer te schrijven over de Villa Medici. Er zijn vijf versies bekend van de Veduta panoramica di Roma da Villa Medici van Van Wittel, waarvan er vier vergezeld gaan van een pendant met een gezicht op de Trinità dei Monti gezien vanaf de weg die voor de Villa Medici langsloopt. De ontwerptekening is ook bewaard gebleven en is te vinden in de collectie van Museo di San Martino in Napels.

De vroegst gedateerde versie van de vijf heeft ook de genoemde pendant en bevindt zich in de Colonna-collectie. Deze twee schilderijen zijn uit 1681, dat weten we omdat ze toen werden aangekocht door de familie Colonna en dit terug te vinden is in hun administratie. Op een lijst van aangekochte schilderijen (“Nota dei quadri compri”) staat dat de Colonna’s voor deze “dui prospettive di monsu gasparo del occhiali” 30 scudi betaalden. Ter vergelijking: iets verder naar onder op de lijst staan “due paesi di monsù orizonte” oftewel Jan Frans van Bloemen, een goede vriend van Caspar, waar 20 scudi voor werd betaald. (Het is niet echt goed te zeggen wat de waarde is geweest van 1 scudo, maar ik heb gelezen dat je moet denken aan een jaarlijks arbeidersinkomen in die tijd tussen de 10 en 15 scudi.)

Naast de Colonna’s was ook Livio Odescalchi een voorname opdrachtgever van Caspar in die vroege jaren in Rome. En ook hij bezat een set van twee schilderijen, deze zijn van twee jaar later (1683). Deze vedute zijn in 1895 gedoneerd aan wat nu de Gallerie Nazionali Barberini Corsini heet en hangen sinds een jaar of twee weer op zaal in Palazzo Barberini:

https://casparvanwittel.blog/2019/07/18/van-wittels-in-de-barberini/

Ik zal niet een heel verhaal houden over de villa zelf, dat kan iedereen opzoeken op internet maar ik wil wel één leuke anekdote vertellen. Net te zien op Van Wittels schilderij in de verte voor de villa zie je een fontein. Deze staat er nog steeds maar hier hangt een soort van urban legend aan vast over Christina van Zweden. Deze voormalige koningin woonde nadat ze afstand had gedaan van de Zweedse troon in Rome, waar ze groots werd onthaald omdat ze was bekeerd tot het katholicisme. Ze was een behoorlijk pittige tante, intelligent en geïnteresseerd in wetenschap maar ook schijnbaar nogal wispelturig. Nu gaat het verhaal dat zij op een dag had afgesproken met een goede vriend van haar, kardinaal Decio Azzolini (precies hoe goed bevriend ze waren is niet helemaal duidelijk maar het woord ‘affaire’ is vaak niet ver weg). De kardinaal kwam niet opdagen op de afspraak en de temperamentvolle ex-koningin werd zo boos dat ze direct naar Castel Sant’Angelo toog om daar een van de kanonnen af te (laten) schieten richting de Villa Medici. De kanonskogel raakte de deur, waar nog steeds een deuk in te zien is, maar was verder niet erg aangetast en werd als ornament midden op de fontein geplaatst. Niets van waar natuurlijk want die afstand haal je nooit met een kanonskogel, maar het is een leuk verhaal. (Overigens betaalde Christina haar bibliothecaris 15 scudi per maand las ik net in een boek over de economische kanten van het schildersvak in de 17e eeuw in Italie.)

Terug naar onze vriend Caspar. Naast de vijf vedute van de buitenzijde van de villa, maakte hij ook een enkel gezicht vanuit de tuinen op de gevel van de villa. De beelden die hierop zijn afgebeeld werden door de Medici’s terug meegenomen naar Florence dus die zijn hier niet meer. Zo zie je aan weerszijden van de trap naar de loggia twee leeuwenbeelden staan, deze staan nu in de Loggia dei Lanzi (ook aan weerszijden van de trap de loggia in).

Ook dit schilderij zelf is in Florence, in de collectie van Palazzo Pitti. Het is gesigneerd en gedateerd (1685). Alle hier genoemde schilderijen zijn dus uit Caspars jongere jaren in Rome. Soms zie je dat ook wel aan de figuurtjes, die zijn duidelijk niet altijd allemaal in perspectief. Maar wat geeft het, de schilderijen blijven leuk om naar te kijken natuurlijk!

Parochiaal archief – S. Lorenzo in Damaso

Afgelopen maandag ben ik aangekomen in Rome (ongelooflijk dat het weer kan!) om weer een tijdje onderzoek te doen naar ‘mijn vriend’ Caspar. De eerste paar dagen waren erg druk omdat de parochiale archieven nog maar twee dagen open waren en ik nog steeds op zoek ben naar vermeldingen van Caspar in deze archieven. Vandaag ben ik aan het werk in de bibliotheek van het Nederlands Instituut waar ik wederom een tijdje mag verblijven voor mijn onderzoek en is het dus weer tijd om wat van mijn bevindingen te delen op mijn blog.

De parochiale archieven hier in Rome zijn te consulteren maar het is er niet makkelijk binnenkomen en het is niet eenvoudig navigeren door de verschillende documenten. Ik schreef hier al meerdere stukjes over helemaal aan het begin van mijn blog in de zomer van 2017:

https://casparvanwittel.blog/2017/07/07/het-archief-in/ https://casparvanwittel.blog/2017/07/10/het-archief-in-dl-2/ https://casparvanwittel.blog/2017/07/12/het-archief-in-dl-3/

Ik moet me echt stap voor stap door de documenten heen werken en het is echt monnikenwerk. Omdat je niet weet precies kunt weten waar en hoe je Caspar kunt terugvinden (want welk jaar woonde hij in welke straat en welke straat hoort in welk jaar bij welke parochie en op welk moment werd de lijst samengesteld en hoe werd door de priester of kapelaan van dienst zijn naam geschreven?) moet je veel verschillende documenten inzien. En per document is het ook zoeken omdat de lijsten natuurlijk niet aangeleverd worden op alfabetische volgorde van de bewoners van de parochie! Het ene jaar zijn de lijsten redelijk leesbaar, het andere jaar weer totaal niet. En je weet dus ook nooit zeker of Caspar er wel in voorkomt dus je moet echt alles doorlezen terwijl je vaak dan toch niets vindt. Een speld in een hooiberg dus.

De afgelopen dagen ben ik helaas voor wat betreft Caspar niet veel wijzer geworden, maar heb ik wel een stukje hooiberg kunnen elimineren dus dat scheelt dan maar weer. Leuk bij mijn speurwerk is ook dat je dingen tegenkomt die je niet verwacht. Een van de parochies waarvan ik de Stati d’Anime aan het bekijken was, is die van de San Lorenzo in Damaso op de Piazza della Cancelleria. (De ingang van de kerk werd bij een reconstructie geïncorporeerd in de gevel van de Cancelleria.) In deze parochie waren ze kennelijk gewend veel details te noteren en dat is zeker niet overal het geval. Ook zijn per jaar de totalen vermeld aan het einde van de lijst. In 1678 woonden er in de parochie 5228 mensen, waarvan 3103 mannen en 2125 vrouwen “ d’ogni età”. Of onderverdeeld in 4083 “atti alla Comm.e” (die met Pasen ter communie waren gegaan) en 1145 “non atti”. In datzelfde jaar waren er 1500 huizen (“case a famiglia”) binnen de parochie, woonden er 5 bisschoppen & prelaten, 90 priesters, 10 college- of schoolgaanden en 200 wat wij nu hovelingen zouden noemen. Opvallen in dat jaar: er lagen geen mensen in het ziekenhuis of waren er mensen opgesloten in de gevangenis. Dat was het jaar daarop wel anders: toen waren er 2 zieken en 1 gevangene. Er gingen 10 mensen meer naar school of college en er waren 2 priesters bijgekomen maar er was één bisschop minder. In 1679 werden er in totaal 5071 parochiale inwoners geteld, 2936 mannen en 2135 vrouwen.

Naast dit soort feiten werd er ook veelal zorgvuldig genoteerd wat voor bedrijven er gevestigd waren op de verschillende adressen: “Tabaccaria”, “Scarpinello”, “Pollarolo”, “Hosteria”, “Barberia”, “Drogheria”, “Indoratore”, tot aan de “Cancelleria” zelf aan toe. In die laatste werd ook keurig “Card. Fran.o Barberini” vermeld als de heer des huizes met daarbij zijn leeftijd (82 in 1678 en 83 in 1679).

Het allerleukste stuk echter in de lijsten van deze parochie zijn die van de bewoners van de Piazza Navona. Ik zie dat helemaal voor me dankzij de schilderijen van Caspar van de Piazza Navona zoals die in de collectie van het museum Thyssen-Bornemisza in Madrid. Op de site van het museum kun je dit schilderij bekijken in gigapixel en tot in alle details inzoomen: https://www.museothyssen.org/en/conectathyssen/gigathyssen/piazza-navona-rome

En er zijn zo veel leuke details te zien! Op de tentoonstelling twee jaar geleden stond ik vaak heel lang voor dit werk om deze allemaal aan te wijzen: de was en bloempotten op de balkonnetjes, de kraampjes en alle waren die verkocht worden, de vele verschillende personages en dieren, het familiewapen van de Pamphili’s overal… te veel om op te noemen! Maar mijn favorieten zijn toch wel de boekwinkel links op het schilderij en de pruikenwinkel rechts met in de etalage pruiken in drie verschillende kleuren:

Natuurlijk worden op Piazza Navona de bewoners van Palazzo Pamphili genoemd, maar ook de minder belangrijke bewoners van het plein. Zo is er op iedere pagina van de lijst wel een melding van een “libreria”. Maar wat schetste mijn verbazing: ook de “Bott.a Seg.e di Perucche” wordt genoemd! En zo weet ik dus nu dat de pruikenmaker van Franse afkomst was, op dat moment 32 jaar oud en hier met zijn vrouw woonde die 5 jaar jonger was. Tenminste, in 1678.. Dus zo’n 20 jaar voordat Caspar zijn Piazza Navona schilderde. Het is misschien een te grote stap om te denken dat het om dezelfde pruikenmaker zou moeten gaan, want ten tijde van het schilderij moet hij al 53 zijn geweest en zijn vrouw 48. Maar een leuk idee is het wel 🙂 En dankzij Caspars mooie weergave van het plein kan ik me er in ieder geval een leuk beeld bij schetsen!